Uitspraak
[appellant],
Achmea,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een antwoordakte van Achmea.
3.De vaststaande feiten
4.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en de vorderingen in hoger beroep
De beoordeling van de grieven en de vorderingen in het principaal en het incidenteel hoger beroep
lid 5BW kan worden gebaseerd (vgl. HR
.”
grieven II tot en met IVbeoogt [appellant] (kennelijk) mede tegen deze overweging op te komen; dat is enigszins gissen, omdat een uitgewerkte toelichting op de grieven in zoverre ontbreekt. [appellant] heeft in hoger beroep niets aangevoerd wat een ander licht op door Achmea aangevoerde feiten en omstandigheden in deze zaak kan werpen en op hetgeen de kantonrechter in eerste aanleg daarover heeft overwogen. Een deugdelijk onderbouwd betoog tegen die overwegingen ontbreekt. De grieven, voor zover betrekking hebbende op het beroep op artikel 7:941 BW Pro, falen bij gebrek aan een dergelijke deugdelijke onderbouwing. Voor zover de grieven betrekking hebben op het beroep op 7:930 BW behoeven zij bij gebrek aan belang geen bespreking (zie hiervoor onder rov. 5.5). De
veeggrieven V, VI en VIIdelen het lot van deze grieven.
6.De slotsom
7.De beslissing
€ 1.611,- voor salaris advocaat en in het incidenteel hoger beroep op € 537,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;