ECLI:NL:GHARL:2018:9670

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
6 november 2018
Zaaknummer
200.222.197/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:174 BWArt. 6:181 lid 1 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid eigenaar voor schade door afwaaien dakplaten van verhuurde loods

In deze civiele zaak vordert de huurder van een woning vergoeding van schade veroorzaakt door afwaaien van dakplaten van een naastgelegen loods. De eigenaar van de loods verhuurt deze aan een huurder die het pand gebruikt als werkplaats en opslagruimte voor zijn klussenbedrijf.

De huurder stelt de eigenaar aansprakelijk op grond van de gebrekkige opstal, terwijl de eigenaar zich beroept op artikel 6:181 lid 1 BW Pro en stelt dat de huurder aansprakelijk is omdat hij zorg moet dragen voor het onderhoud van de loods. Het hof overweegt dat de aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW Pro rust op degene die de opstal gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, tenzij het ontstaan van de schade niet met die bedrijfsuitoefening samenhangt.

Hier is vastgesteld dat het afwaaien van de dakplaten niet samenhangt met de bedrijfsuitoefening van de huurder, maar het gevolg is van een gebrek aan goede bevestiging. Hierdoor rust de aansprakelijkheid uitsluitend op de eigenaar. De afspraken tussen eigenaar en huurder over onderhoud veranderen hier niets aan, omdat die alleen hun onderlinge verhouding betreffen.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de eigenaar tot vergoeding van de schade en betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: De eigenaar van de loods is aansprakelijk voor de schade door afwaaien van dakplaten en moet deze vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.222.197/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5440004 \ CV EXPL 16-11622)
arrest van 6 november 2018
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. H de Jong, kantoorhoudend te Burgum,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [A] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna:
[geïntimeerde] ,
advocaat: mr. E.A. van der Meulen-Sikkes, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 oktober 2017 hier over. De in dat tussenarrest bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 5 december 2017. Een afschrift van het van de zitting opgemaakte proces-verbaal is toegevoegd aan het procesdossier.
1.2
Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven genomen en [geïntimeerde] een memorie van antwoord.
1.3.
Partijen hebben ieder een procesdossier overgelegd en vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
1.4
De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt ertoe bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank van 18 juli 2017 te vernietigen en opnieuw
rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2.De vaststaande feiten

2.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis, nu deze feiten tussen partijen niet in geschil zijn. Aangevuld met de feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, gaat het om het volgende.
2.2
[geïntimeerde] woont aan de [a-straat 1] te [A] .
2.3.
[appellant] is eigenaar van een loods die grenst aan de achterzijde van de woning van [geïntimeerde] , op het adres [b-straat 2] te [A] (hierna: de loods). De loods wordt verhuurd aan [B] (hierna: [B] ), die de loods gebruikt als werkplaats en opslagruimte voor zijn klussenbedrijf.
2.4
Op 28 oktober 2013, 5 december 2014 en 31 maart 2015 zijn (delen van) (asbesthoudende) golfplaten van de loods gewaaid en in de tuin en op en in de volière van [geïntimeerde] gevallen.
2.5
[geïntimeerde] heeft [appellant] bij brief van 17 augustus 2015 gesommeerd een bedrag van € 1.837,46 aan schade te vergoeden.
2.6
[appellant] is niet tot betaling overgegaan.

3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] tot betaling aan haar van een bedrag van € 2.437,46 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2015, de proceskosten en de nakosten. [geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] als eigenaar van de gebrekkige opstal aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden.
3.2
[appellant] heeft zich verweerd, onder meer door te stellen dat niet hij, maar [B] op grond van het bepaalde in artikel 6:181 lid 1 BW Pro aansprakelijk is voor de schade.
3.3.
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van
€ 2.137,46 vermeerderd met de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten.

4.De beoordeling van de grief en de vordering

4.1
[appellant] heeft één grief ten het vonnis gericht, die luidt als volgt
: “Ten onrechte heeft de rechtbank het beroep van [appellant] op artikel 6:174 BW Pro, 6:181 verworpen waarbij de rechtbank ten onrechte heeft overwogen: Dat in de onderlinge verhouding tussen [appellant] en de gebruiker van de loods zou zijn afgesproken dat de gebruiker zorg dient te dragen voor deugdelijk onderhoud van die loods, zoals ter gelegenheid van de gehouden comparitie naar voren is gebracht maakt dit oordeel niet anders.”
In de toelichting op de grief heeft [appellant] aangevoerd dat gelet op artikel 6:181 BW Pro niet hij, maar [B] aansprakelijk is voor de schade, nu tussen [appellant] en [B] een huur/gebruiksovereenkomst voor de loods is gesloten, onder meer inhoudende dat op [B] de verplichting rustte er zorg voor te dragen dat het pand geen gebreken zou kennen die schade aan derden zouden kunnen veroorzaken. [geïntimeerde] was van het bedrijfsmatig gebruik op de hoogte, aldus [appellant] .
4.2
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] geen beroep toekomt op artikel 6:181 BW Pro, omdat de schade het gevolg is van een gebrek van de opstal en geen verband houdt met de bedrijfsuitoefening in de loods. Dat [appellant] en zijn huurder mogelijk afspraken hebben gemaakt met betrekking tot het onderhoud maakt dit niet anders. [geïntimeerde] ontkent bovendien dat zij van die afspraken op de hoogte was.
4.3
Het hof overweegt als volgt. De loods wordt verhuurd aan [B] , die de loods gebruikt als opslagruimte en werkplaats voor zijn klussenbedrijf. De aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW Pro rust krachtens artikel 6:181 lid 1 BW Pro op degene die de opstal gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, tenzij het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat. De zinsnede ‘het ontstaan van de schade’ is hier te verstaan als ‘de verwezenlijking van het gevaar dat is verbonden aan de gebrekkigheid van de opstal’ (ECLI:NL:HR:2017:3016 Schavemaker/Little Kids Furniture).
4.4
[geïntimeerde] heeft gesteld dat het afwaaien van de dakplaten van de loods niets te maken heeft met de bedrijfsuitoefening van [B] in de loods, maar dat de dakplaten niet goed bevestigd zijn waardoor deze tot driemaal toe van het dak zijn gewaaid.
4.5
[appellant] heeft niet bestreden dat een dergelijk functioneel verband tussen het bestaan en ontstaan van het gebrek (het loswaaien van de dakplaten) en de bedrijfsuitoefening ontbreekt, daarmee rust de risicoaansprakelijkheid voor de gebrekkige opstal uitsluitend op [appellant] als eigenaar/bezitter. [appellant] dient de door [geïntimeerde] geleden schade te vergoeden.
Dat [B] mogelijk op basis van de gebruiksovereenkomst gehouden was onderhoud te verrichten aan het dak maakt dit niet anders, aangezien een dergelijke bepaling slechts betrekking heeft op de onderlinge relatie tussen [appellant] en [B] en niet ziet op de bedrijfsuitoefening door [B] .
Slotsom
4.6
De grief faalt. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het hoger beroep worden veroordeeld. Die kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- aan verschotten en op
€ 1.518,- aan salaris advocaat (2 punten, tarief I).

5.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 10 oktober 2017;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 1.518,- voor salaris advocaat:
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. J.H. Kuiper en mr. M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
6 november 2018