Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden voldaan uit en naar evenredigheid van het netto jaarinkomen van de echtgenoten; indien dit inkomen niet toereikend zou zijn, is ieder van de echtgenoten verplicht naar evenredigheid van zijn netto-vermogen per het einde van het betreffende kalenderjaar het tekort aan te vullen.
2. Onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen en van de kinderen die met toestemming van beiden in het gezin zijn opgenomen, wat de laatste kinderen betreft voor zover deze kosten niet ten laste van derden komen.
3. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen na aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.
4. Het in het artikel bepaalde geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
6.De beslissing
- de helft van de rente ter zake de schuld aan Interbank over de termijnen die de man vanaf augustus 2016 tot 1 juni 2018 heeft voldaan;
- de helft van de debetsaldi op Rabo Basisrekening [rekeningnummer 1] en Rabo Directrekening [rekeningnummer 2], van respectievelijk € 1.654,74 en € 598,17, te weten een bedrag van € 1.126,-;