ECLI:NL:GHARL:2019:10098

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2019
Publicatiedatum
25 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.226.510/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 24 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor parkeren binnen vijf meter van kruispunt zonder reële staandehoudingsmogelijkheid

De betrokkene kreeg een boete van €90 opgelegd voor het parkeren binnen vijf meter van een kruispunt op 1 november 2016. De kantonrechter verklaarde het beroep tegen deze boete ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld. De gemachtigde voerde aan dat onterecht op kenteken was bekeurd en dat er geen rechtsgeldige bewijsstukken waren. Ook stelde hij dat de ambtenaar de bestuurder had kunnen staande houden, waardoor de boete niet aan de kentekenhouder had mogen worden opgelegd.

Het hof oordeelde dat de gegevens in het zaakoverzicht voldoende waren om de gedraging vast te stellen en dat de kantonrechter ten onrechte het zaakoverzicht als ambtsedige verklaring had aangemerkt, maar dit geen gevolgen had. Het hof stelde vast dat niet aannemelijk was dat de ambtenaar de bestuurder had kunnen staande houden, omdat het voertuig geparkeerd stond zonder dat iemand aanwezig was. De enkele stelling dat de bestuurder de ambtenaar had gezien of gesproken was onvoldoende om een reële staandehoudingsmogelijkheid aan te nemen.

Daarom bleef de sanctie terecht aan de kentekenhouder opgelegd. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het arrest werd gewezen door mr. Beswerda en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: De boete voor parkeren binnen vijf meter van een kruispunt wordt bevestigd omdat geen reële staandehoudingsmogelijkheid van de bestuurder is gebleken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.226.510/01
CJIB-nummer
: 202842554
Uitspraak d.d.
: 25 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 21 augustus 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren bij een kruispunt binnen vijf meter daarvan”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 november 2016 om 16:50 uur op de Trekvogelweg te Amersfoort met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter niet is ingegaan op het standpunt dat ten onrechte is bekeurd op kenteken, zodat de beslissing reeds om die reden dient te worden vernietigd. Daarnaast is geen sprake van een ambtsedige verklaring van een verbalisant en zijn er in deze zaak geen rechtsgeldige bewijsstukken aanwezig. Hij verwijst daartoe naar het arrest van het hof van 4 april 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2855). Verder stelt de gemachtigde dat ter plekke niet, althans niet duidelijk, blijkt dat de verweten gedraging verboden zou zijn en dat het er daarom voor moet worden gehouden dat de gedraging niet (verwijtbaat) is verricht. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
3.
De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht houdt zakelijk weergegeven onder meer in dat de ambtenaar heeft gezien dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 stond geparkeerd bij een kruispunt binnen 5 meter daarvan.
4. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding om aan de gegevens van het zaakoverzicht te twijfelen, nu dit in feite niet meer inhoudt dan een enkele ontkenning van de gedraging dan wel een niet onderbouwde betwisting van deze gegevens. Het verweer van de gemachtigde treft in zoverre geen doel, zodat is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
5. Met de gemachtigde is het hof van oordeel dat de kantonrechter de tekst in het zaakoverzicht ten onrechte heeft aangemerkt als ambtsedige verklaring van de verbalisant. Nu de Wahv niet de eis stelt dat aan de oplegging van administratieve sancties een fysiek en ondertekend proces-verbaal ten grondslag ligt, zal het hof hier geen consequenties aan verbinden.
6. Verder wijst de gemachtigde er terecht op dat de kantonrechter niet is ingegaan op het gevoerde verweer omtrent de staandehouding. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij de kantonrechter - evenals in hoger beroep - als grond heeft aangevoerd dat de bestuurder de verbalisant heeft gezien en/of gesproken en dat dit betekent dat de verbalisant de mogelijkheid had de betrokkene staande te houden. Volgens de gemachtigde is dan ook onrechtmatig op kenteken bekeurd. De kantonrechter is hieraan voorbij gegaan, zodat in die zin sprake is van een motiveringsgebrek. Dit heeft echter niet tot gevolg dat deze beslissing niet in stand kan blijven of dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. Het hof overweegt daartoe het volgende.
7. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. Een dergelijke staandehouding strekt tot vaststelling van de identiteit van de bestuurder. Uit wetsgeschiedenis leidt het hof af dat indien bij een parkeerovertreding de identiteit van de bestuurder die het voertuig geparkeerd heeft aanstonds vast te stellen is, omdat zich een confrontatie tussen de ambtenaar en de bestuurder van het voertuig voordoet, de ambtenaar tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder dient over te gaan.
8. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een situatie waarbij de ambtenaar - voordat hij alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de sanctie benodigd zijn, eventueel digitaal, heeft genoteerd (in eerdere jurisprudentie ook wel aangeduid als het moment vóór de oplegging van de sanctie) - is geconfronteerd met de persoon van wie hij vermoedde dat deze de bestuurder is geweest. Hierbij wordt vooropgesteld dat de ambtenaar heeft verklaard dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd. Hieruit kan in beginsel worden afgeleid dat niemand aanwezig was bij het voertuig. De enkele niet onderbouwde stelling van de gemachtigde dat de bestuurder de ambtenaar heeft gezien en/of gesproken is onvoldoende om aan te nemen dat dit wel het geval was. Voorts brengt de omstandigheid dat de betrokkene de ambtenaar zou hebben gezien en/of gesproken op zichzelf nog niet mee dat sprake is geweest van een confrontatie op grond waarvan de ambtenaar kon vermoeden dat de betrokkene de bestuurder is geweest. Naar het oordeel van het hof staat aldus voldoende vast dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan, zodat de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder is uitgeschreven.
9. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal deze beslissing daarom bevestigen, zij het met verbetering en aanvulling van gronden gelet op de vastgestelde de motiveringsgebreken onder
5. en 6.
10. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering en aanvulling van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.