Het geschil betreft een verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie die was overeengekomen in het ouderschapsplan bij de echtscheidingsbeschikking van 16 december 2013. De man wilde onder meer een latere ingangsdatum van de alimentatiebetaling en een verlaging van de bijdrage wegens vermeende grove miskenning van wettelijke maatstaven en gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank had het verzoek van de man afgewezen, en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de overeengekomen alimentatie met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is vastgesteld, noch dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een aanpassing rechtvaardigt.
Het hof overweegt dat de financiële verwevenheid tussen partijen na het uiteengaan in 2013 losstaat van de feitelijke beëindiging van de samenleving en dat de man onvoldoende bewijs leverde voor een latere ingangsdatum. Ook de lagere uitkering dan verwacht leidt niet tot een wanverhouding die wijziging rechtvaardigt. De verzoeken tot matiging van de alimentatie en tot nihilstelling van achterstallige betalingen worden daarom afgewezen.
De bestreden beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.