ECLI:NL:GHARL:2019:10355

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
Wahv 200.248.525/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 8 Wahv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing beroep kentekenhouder tegen sanctie wegens door rood licht rijden

De betrokkene, als kentekenhouder van het betreffende voertuig, kreeg een sanctie van €230 opgelegd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 13 juni 2017 in Eindhoven. De betrokkene voerde aan dat het voertuig bedrijfsmatig was verhuurd voor maximaal drie maanden en beriep zich op de disculpatiemogelijkheid van artikel 8 Wahv Pro, waarbij de verhuurder niet aansprakelijk is indien een geldige huurovereenkomst wordt overgelegd.

De kantonrechter verwierp het beroep omdat de bestuurder onbekend zou zijn, maar dit werd weerlegd met overgelegde documenten. Het hof oordeelde dat de overgelegde huurovereenkomst niet geldig was omdat de kentekenhouder geen partij was bij de verhuur. Er was onduidelijkheid over de relatie tussen de verschillende bedrijven betrokken bij de tenaamstelling en verhuur.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter dat de sanctie terecht is opgelegd aan de kentekenhouder. De betrokkene kon niet aantonen dat hij als verhuurder kon worden vrijgesteld op grond van artikel 8 Wahv Pro, omdat de huurovereenkomst niet voldeed aan de wettelijke eisen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €230 aan de kentekenhouder wegens niet stoppen voor rood licht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.248.525/01
CJIB-nummer
: 208298126
Uitspraak d.d.
: 3 december 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 3 oktober 2018, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De betrokkene is vertegenwoordigd door [B] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juni 2017 om 17:39 uur op de Winston Churchilllaan in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. Het verweer dat namens de betrokkene gedurende de gehele procedure is gevoerd, komt er
- zakelijk weergegeven - op neer dat het voertuig ten tijde van de gedraging bedrijfsmatig was verhuurd voor een termijn van ten hoogste drie maanden en dat de betrokkene derhalve een beroep toekomt op de in artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv genoemde disculpatiemogelijkheid voor de verhuurder van het voertuig. De kantonrechter heeft het beroep mede ongegrond verklaard, omdat de bestuurder onbekend was. Echter is al eerder in de procedure een kopie van de verhuurovereenkomst overgelegd, alsmede een kopie van het rijbewijs en het identiteitsbewijs van de bestuurder. Over de identiteit van de bestuurder kan dan ook geen onduidelijkheid bestaan.
3. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken was ingeschreven in het kentekenregister ten tijde van de gedraging. Op grond van deze bepaling is de inleidende beschikking opgelegd aan de betrokkene – [betrokkene] B.V. - in de hoedanigheid van kentekenhouder.
4. Artikel 8, aanhef en onder b, Wahv luidt als volgt: "De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk Pro artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:
b. een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was."
5. In zijn arrest van 4 mei 1993 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1993:ZC9348) heeft de Hoge Raad met betrekking hiertoe overwogen dat de wetgever klaarblijkelijk heeft beoogd de verhuurder op wiens naam het kenteken staat bij uitzondering en slechts dan niet op grond van artikel 5 van Pro de Wahv aansprakelijk te doen zijn voor een in dat artikel bedoelde gedraging, indien de verhuurder door overlegging van een van de totstandkoming van de huurovereenkomst opgemaakt bewijsstuk, kan aantonen dat hij ten tijde van de gedraging het motorrijtuig met bedoeld kenteken heeft verhuurd voor ten hoogste de in artikel 8 van Pro de Wahv genoemde periode aan een daarin met name genoemde huurder.
6. Gelet hierop moet voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv een huurovereenkomst zijn overgelegd waarbij de kentekenhouder partij is.
7. Het stuk dat namens de betrokkene is bestempeld als verhuurovereenkomst betreft een document waarop staat ‘Overeenkomst vervangende auto’. Uit dit document valt – onder andere – af te leiden dat het voertuig met voormeld kenteken op het moment van de gedraging was verhuurd. Naast allerlei gegevens die betrekking hebben op het desbetreffende voertuig, de huurder en de kosten die bij de verhuur in rekening zijn gebracht – en ook daadwerkelijk door de huurder zijn voldaan – staat in het document, bovenaan, vermeld: [C] .
8. Namens de betrokkene is in de procedure bij de kantonrechter aangevoerd dat de tenaamstelling van het desbetreffende voertuig niet juist was en dat dit inmiddels door de RDW is rechtgetrokken. De vertegenwoordiger van de betrokkene benoemt dat de bedrijven [betrokkene] en [D] elkaar hebben gemachtigd. Van beide bedrijven is een uittreksel uit het Handelsregister overgelegd.
9. Uit een bericht van de RDW van 5 september 2017 dat zich in het dossier bevindt, volgt dat de tenaamstelling van voormeld voertuig is gewijzigd in [D] B.V.. Verder bevinden zich in het dossier uittreksels uit het Handelsregister betreffende [betrokkene] B.V. en [D] B.V.. Een link met [C] ontbreekt.
10. Het hof stelt gelet op het voorgaande vast dat de kentekenhouder van het voertuig geen partij is bij de verhuur van het voertuig. Niet [betrokkene] B.V. is de verhuurder, maar [C] . Het is het hof bij het ontbreken van nadere informatie dienaangaande niet duidelijk wat de relatie is tussen deze bedrijven. Het namens de betrokkene in het geding gebrachte uittreksel betreffende [betrokkene] B.V. levert hieromtrent evenmin duidelijkheid op, nu hieruit – voor zover van belang - slechts kan worden afgeleid dat het bedrijf is gevestigd op hetzelfde adres als [C] en dat twee bestuurders aan het hoofd staan, namelijk [E] B.V. en [F] B.V..
11. De overgelegde huurovereenkomst kan daarom niet worden aangemerkt als een huurovereenkomst in de zin van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. De kantonrechter heeft het beroep op voormeld artikel op dezelfde grond – en aldus terecht – verworpen. In tegenstelling tot hetgeen de vertegenwoordiger van de betrokkene aanvoert, heeft de kanonrechter het beroep niet verworpen, omdat de huurder van het voertuig niet bekend zou zijn.
12. Voorgaande houdt in dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.