ECLI:NL:GHARL:2019:10363

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
Wahv 200.195.505/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WahvBijlage WahvReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren op gehandicaptenparkeerplaats verworpen

De betrokkene werd gesanctioneerd voor parkeren op een invalidenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig te gebruiken. In eerste aanleg verklaarde de kantonrechter het beroep ongegrond. Het gerechtshof vernietigt deze beslissing en die van de officier van justitie omdat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard.

In hoger beroep werd betoogd dat het verkeersbord E6 onduidelijk was geplaatst, waardoor niet duidelijk was welk weggedeelte de parkeerplaats betrof. Het hof oordeelt dat het bord haaks op de wegas stond en de gelding had op het weggedeelte ná het bord, conform vaste rechtspraak. Er was geen wettelijke verplichting tot een wit kruis op de invalidenparkeerplaats en latere aanpassingen veranderen hier niets aan.

De gedraging is erkend, en het hof ziet geen reden om de sanctie te matigen of te vernietigen. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.195.505/01
CJIB-nummer
: 189288340
Uitspraak d.d.
: 3 december 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde klaagt in hoger beroep onder meer dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de officier van justitie een nadere termijn had moeten geven voor het aanvullen van gronden omdat de gemachtigde had aangegeven nog niet over voldoende stukken te beschikken en om een nadere termijn had verzocht. De beslissing van de officier van justitie is onzorgvuldig tot stand gekomen en moet daarom worden vernietigd.
2. Het hof stelt vast dat het beroep tegen de inleidende beschikking kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard omdat het verzuim de gronden van het beroep in te dienen niet is hersteld nadat daartoe gelegenheid was gegeven.
3. In het administratief beroepschrift van 23 juni 2015 wordt de verweten gedraging betwist. Gelet op vaste rechtspraak van dit hof wordt dat aangemerkt als een grond. Daarom bestond er voor de officier van justitie niet de bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet indienen van de gronden van het beroep. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie niet in stand mogen laten.
4. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige bezwaren tegen die beslissingen behoeven geen bespreking meer. Vervolgens staat het beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling.
5. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op een invalidenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde invalidenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 maart 2015 om 23:46 uur op de Oranjeboomstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
6. Met betrekking tot de gedraging voert de gemachtigde aan dat weliswaar een verkeerbord geplaatst stond, maar dat onvoldoende duidelijk was of dit bord de parkeerplek vóór of ná het bord betrof. Hij verwijst naar een arrest van dit hof van 27 januari 2017 (te vinden op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:GHARL:2017:591). De voorliggende zaak is volgens hem identiek. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat geen markering op de weg was aangebracht op grond waarvan de betrokkene moest begrijpen welke plaats bij het verkeersbord behoorde. Volgens hem is deze markering enige weken na de gedraging aangebracht. De gemachtigde verwijst naar de foto’s die hij in hoger beroep heeft overgelegd en concludeert dat de inleidende beschikking daarom niet in stand kan blijven.
7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging erkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Met het oog op het verweer van de gemachtigde dient het hof te beoordelen of de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd.
8. Het hof stelt hierbij het volgende voorop. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.
9. Uit de door de gemachtigde overgelegde foto's van de pleeglocatie blijkt het volgende. Het betreffende gedeelte van de Oranjeboomstraat betreft een éénrichtingsweg. Aan de rechterzijde van de weg is een bord E6 als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geplaatst met een onderbord met daarop het kenteken van het voertuig waarvoor die gehandicaptenparkeerplaats is bedoeld. Het bord is haaks op de wegas geplaatst. Het voertuig van de betrokkene stond in het vak achter het E6-bord geparkeerd. Hierop gelet komt deze zaak niet overeen met hetgeen zich in het arrest van het hof van 27 januari 2017 voordeed, waar de gemachtigde naar heeft verwezen. Daar stond het voertuig namelijk geparkeerd in het vak vóór het bord E6 geparkeerd.
10. Van de door de gemachtigde omschreven onduidelijkheid blijkt het hof niet. Het hof stelt voorop dat in het algemeen verkeersborden, tenzij anders aangegeven, in beginsel gelding hebben op het wegvak ná de plaatsing daarvan, zodat het voor de hand ligt dat met het bord E6 het weggedeelte daarna werd aangeduid (vgl. het arrest van het hof van 10 september 2009, te vinden op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:GHLEE:2009:4141). Door het - ten opzichte van de wegas - haaks plaatsen van het bord wordt dit nog eens verduidelijkt. Geen rechtsregel schrijft bovendien voor dat op een invalidenparkeerplaats een wit kruis moet worden aangebracht. Dat de situatie op een later moment - wat daar verder ook van zij - verder is verduidelijkt door de desbetreffende invalidenparkeerplaats te voorzien van een wit kruis, maakt voorgaande niet anders.
11. Nu is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en het hof geen reden ziet de sanctie achterwege te laten dan wel het bedrag van de sanctie te matigen, zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
12. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.