ECLI:NL:GHARL:2019:10412

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 december 2019
Publicatiedatum
4 december 2019
Zaaknummer
Wahv 200.199.274/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 3:41 Awb
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoger beroep tegen niet tijdig beslissen en administratieve sanctie Wahv

De betrokkene stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op een administratief beroep onder de Wahv. De kantonrechter verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de officier van justitie tijdig had beslist. Het hof oordeelt dat onvoldoende is aangetoond dat de ingebrekestelling tijdig is verzonden, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk is, maar dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zelf.

Het hof beoordeelt dat de beslissing van de officier van justitie niet op juiste wijze bekend is gemaakt aan de gemachtigde, waardoor het beroep tegen deze beslissing ontvankelijk is. De officier van justitie verklaarde het beroep onontvankelijk wegens ontbreken van gronden, maar het hof stelt vast dat het administratief beroepschrift wel degelijk een beroepsgrond bevatte, zodat deze beslissing wordt vernietigd.

De betrokkene betwist de verweten gedraging waarvoor een sanctie van €140 is opgelegd. Het hof acht de verklaring van de ambtenaar voldoende bewijs en wijst het beroep tegen de sanctie ongegrond. Het verzoek om vaststelling van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat de officier van justitie in gebreke is gesteld.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover deze niet heeft beslist op het beroep tegen de officier van justitie en op het verzoek om dwangsom, bevestigt de rest met verbetering van gronden, verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond en het beroep tegen de sanctie ongegrond, en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is gegrond en de sanctie wordt gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.199.274/01
CJIB-nummer
: 189204507
Uitspraak d.d.
: 4 december 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 16 augustus 2016, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de kantonrechter

1. De gemachtigde heeft op 15 mei 2016 beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep van de betrokkene.
2. De kantonrechter heeft het beroep van de gemachtigde niet-ontvankelijk verklaard, omdat de officier van justitie tijdig een beslissing heeft genomen.
3. Tegen het niet tijdig beslissen op het – als aanvraag te beschouwen – administratief beroepschrift kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank (artikel 9, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra de officier van justitie in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door de officier van justitie is ontvangen (vergelijk artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).
4. De gemachtigde stelt dat hij bij schrijven van 20 februari 2016 de officier van justitie in gebreke heeft gesteld. De gemachtigde heeft ter onderbouwing hiervan een PostNL track & trace bewijs overgelegd.
5. De officier van justitie heeft gesteld dat hij deze ingebrekestelling niet heeft ontvangen.
6. Het hof stelt vast dat de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen blijken dat op of kort na 20 februari 2016 een ingebrekestelling van de gemachtigde is ontvangen. In beginsel aanvaardt degene die per gewone post een stuk verzendt het risico dat hij niet over een schriftelijk bewijs van verzending beschikt. Het ligt dan op zijn weg om op andere wijze aan te tonen dat de verzending (tijdig) heeft plaatsgevonden.
7. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde met het door hem overgelegde track & trace bewijs niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling op 20 februari 2016 ter post is aangeboden. Uit het track & trace bewijs blijkt dat het gewicht van de zending 146 gram bedroeg. De volgens de gemachtigde verstuurde ingebrekestelling beslaat één A4-pagina. Het gemiddelde gewicht van één A4-pagina heeft, zoals de officier van justitie in het verweerschrift bij de kantonrechter ook heeft opgemerkt, een veel lager gewicht. Nu niet aannemelijk is geworden dat de officier van justitie in gebreke is gesteld, is het ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
8. Daarmee heeft de kantonrechter terecht – zij het op onjuiste gronden – geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. De beslissing van de kantonrechter leent zich op dit punt voor bevestiging met verbetering van gronden.
9. De gemachtigde is verder van mening dat de kantonrechter het beroep verder had moeten behandelen nadat hij het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de officier van justitie tijdig een beslissing heeft genomen. Het hof begrijpt dat de gemachtigde van opvatting is dat de kantonrechter ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
10. Bij brief d.d. 15 mei 2016 heeft de gemachtigde namens de betrokkene een aan de kantonrechter gericht beroepschrift ingediend – kort gezegd – inhoudende dat de officier van justitie ten onrechte niet tijdig op het administratief beroepschrift heeft beslist. Uit het zaakoverzicht in het dossier blijkt dat de officier van justitie al op het administratief beroep had beslist voordat de kantonrechter heeft beslist op het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
11. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie. De kantonrechter heeft daar geen toepassing aan gegeven. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij niet is beslist op het beroep gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, niet in stand kan blijven. Het hof zal, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

Beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie

12. Allereerst staat de tijdigheid van het beroep ter beoordeling van het hof nu dit een termijn van openbare orde betreft.
13. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Awb. De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Een beslissing is op de juiste wijze bekendgemaakt, wanneer deze naar het juiste adres is toegestuurd. Het adres dat de betrokkene heeft opgegeven, is leidend. Als namens de betrokkene door een gemachtigde beroep is ingesteld, moet de post in ieder geval aan de gemachtigde worden toegestuurd (artikel 6:17 van Pro de Awb).
14. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de officier van justitie niet aan de betrokkene is bekendgemaakt en ook niet aan de gemachtigde.
15. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde bij schrijven van 22 juni 2015 administratief beroep heeft ingesteld. Uit het zaakoverzicht in het dossier blijkt dat de officier van justitie op 6 november 2015 op het administratief beroep heeft beslist. Niet blijkt dat de beslissing van de officier van justitie met inachtneming van artikel 6:17 van Pro de Awb aan de gemachtigde is gezonden. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de beslissing van de officier van justitie op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat de onder 13. bedoelde termijn is aangevangen. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is aldus ontvankelijk.
16. De officier van justitie heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van gronden, ook nadat de gelegenheid is geboden dit verzuim te herstellen.
17. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat voornoemde beslissing niet in stand kan blijven, nu geen verzuimbrief is verzonden door de officier van justitie.
18. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, sub d, van de Awb dient een beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Indien niet is voldaan aan dat vereiste kan het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
19. Het hof stelt vast dat het administratief beroepschrift van 22 juni 2015 een beroepsgrond bevat, namelijk de betwisting van de gedraging. De officier van justitie had het beroep dan ook niet niet-ontvankelijk mogen verklaren. Nu de officier van justitie niet gehouden was een verzuimbrief te versturen – er is immers een grond ingediend – kan in het midden blijven of deze brief daadwerkelijk is verzonden.
20. Voorgaande brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven.
Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

Beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking

21. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “handelen i.s.m. geslotenverklaring in beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bep. cat. voertuigen (doelgroepstr.)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 maart 2015 om 07:23 uur op De Binding in Koog aan de Zaan met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
22. De gemachtigde voert aan dat de verweten gedraging wordt betwist. Er zijn geen foto’s in het dossier aanwezig. Hierom is de verweten gedraging niet in afdoende mate komen vast te staan. Ook is de gedraging hierom niet voldoende individualiseerbaar.
23. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
24. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
‘’Overtreden artikel: 62 jo. bord C1 RVV 1990.’’
25. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde namens de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de gedraging is verricht. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 26 november 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl, nummer: ECLI:NL:GHARL:2018:10272, is hier voor de oplegging van de sanctie geen foto vereist. Hetgeen de gemachtigde stelt is in feite slechts een enkele ontkenning dat de gedraging is verricht. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet dat de verklaring van de ambtenaar in twijfel moet worden getrokken. In de enkele stelling dat de pleeglocatie niet exact is genoemd ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de plaatsaanduiding zo ruim is dat bij de betrokkene misverstand kan zijn ontstaan omtrent de gedraging die bij inleidende beschikking is opgelegd. Er kan dan ook worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat daarvoor terecht een sanctie is opgelegd.
26. Dit betekent dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond moet worden verklaard.
27. Het hoger beroep van de gemachtigde is tenslotte gericht tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij niet is ingegaan op zijn verzoek om vaststelling van een dwangsom. De kantonrechter was hier in de visie van de gemachtigde wel toe gehouden, nu de officier van justitie niet tijdig op het administratief beroep heeft beslist.
28. Het hof stelt vast dat de kantonrechter niet heeft beslist op het verzoek om vaststelling van een dwangsom dat de gemachtigde in beroep bij de kantonrechter heeft gedaan. Op dit punt moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd.
29. In het midden latend of de officier van justitie tijdig op het administratief beroep heeft beslist, overweegt het hof dat nu, gelet op hetgeen onder 7. is overwogen, uit het dossier niet blijkt dat de gemachtigde de officier van justitie overeenkomstig artikel 4:17, derde lid, van de Awb in gebreke heeft gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het administratief beroep, de officier van justitie geen dwangsom is verschuldigd. Het hof zal daarom het verzoek afwijzen.
30. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).
31. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij:
-niet ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is beslist en
-niet is beslist op het verzoek tot vaststelling van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige met verbetering van gronden;
wijst het verzoek tot vaststelling van een dwangsom af;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.