ECLI:NL:GHARL:2019:10440
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Van Schuijlenburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake niet-ontvankelijkheid beroep op grond van termijnoverschrijding
De betrokkene stelde beroep in tegen een inleidende beschikking van de officier van justitie, dat door deze als niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De kantonrechter bevestigde deze beslissing. In hoger beroep stelde de gemachtigde van de betrokkene dat de informatieplicht was geschonden, omdat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder het zaakoverzicht, waren verstrekt. Het hof oordeelde dat de officier van justitie inderdaad niet aan de informatieplicht had voldaan, waardoor de beslissing van de kantonrechter en officier van justitie vernietigd werden.
Het hof beoordeelde vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking zelf. De inleidende beschikking was op 25 oktober 2016 verzonden, met een beroepstermijn tot 6 december 2016. Het beroepschrift was gedateerd 6 december 2016, maar werd pas op 16 december 2016 ontvangen. De gemachtigde voerde aan dat het beroepschrift tijdig ter post was bezorgd en vertraging te wijten was aan feestdagen en onderbezetting bij de postkamer. Het hof vond dit onvoldoende aannemelijk en oordeelde dat het beroep niet tijdig was ingesteld.
De mogelijkheid van ontvankelijkheid bij verschoonbare termijnoverschrijding werd verworpen, omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat het beroepschrift tijdig ter post was gegaan en de algemene informatie over vertraging onvoldoende was. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Omdat de beschikking niet werd vernietigd, werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening; het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.