Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekers in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om kennis te nemen van verzoeken van de raad tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds kort in Nederland verbleef.
De minderjarige, geboren in de Verenigde Staten, verbleef sinds maart 2019 tijdelijk bij familie in Nederland. De vader en stiefmoeder, beiden woonachtig in de Verenigde Staten, hadden geen intentie om zich in Nederland te vestigen. Het hof oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van het indienen van de verzoeken niet in Nederland was, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet op grond van Brussel II-bis kon worden aangenomen.
Ook kon de bevoegdheid niet worden ontleend aan het Haags Kinderbeschermingsverdrag, omdat de Verenigde Staten deze verdragen niet hebben geratificeerd, noch aan het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat geen uitzonderlijk geval van verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer bestond.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de kinderrechter en verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van de verzoeken.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige.