Art. 1a BABWArt. 1 onder j WVW 1994Art. 18 lid 1 WVW 1994
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sanctie voor onbevoegd aanbrengen verkeerstekens op voor openbaar verkeer openstaande weg
Betrokkene bracht borden aan die verwezen naar het parkeerterrein van zijn café, gelegen aan een weg in Wijchen. Hoewel de borden op eigen terrein stonden, oordeelde het hof dat het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstond en de borden als verkeerstekens in de zin van het BABW moesten worden aangemerkt.
De betrokkene voerde aan dat hij niet bevoegd was om de borden aan te brengen, maar stelde dat het terrein privé was en dat het plaatsen van de borden gevaarlijke verkeerssituaties voorkwam. Het hof verwierp dit verweer, mede op basis van een proces-verbaal en foto’s die aantoonden dat de borden zichtbaar waren voor het verkeer op de openbare weg.
Het hof stelde vast dat de bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 en het BABW ook gelden voor wegen die voor het openbaar verkeer openstaan, ook als deze op eigen terrein liggen. Betrokkene was niet het bevoegd gezag en mocht daarom geen verkeerstekens aanbrengen. Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een gedoogbeleid en bevestigde de sanctie van de kantonrechter.
Uitkomst: De sanctie van €140,- voor het onbevoegd aanbrengen van verkeerstekens wordt bevestigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.259.307/01
CJIB-nummer
: 216222773
Uitspraak d.d.
: 11 december 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2019, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 27 november 2019. De betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “onbevoegd verkeerstekens aanbrengen op of langs de weg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 april 2018 om 12:30uur op [D] in Wijchen.
2. De betrokkene is het met de opgelegde sanctie niet eens en voert hiertoe - kort weergegeven - aan dat hij de bewuste borden niet op of langs de weg heeft aangebracht, maar dat ze op eigen terrein stonden. De betrokkene exploiteert een café aan [D] en wilde zijn gasten tijdens een evenement dat even verderop plaatsvond middels een bord te kennen geven dat het café geopend was en dat hun voertuigen op het parkeerterrein van het café konden worden geparkeerd. Het is correct dat eenieder toegang heeft tot zijn terrein, maar dit maakt volgens de betrokkene niet dat sprake is van de openbare weg. Het parkeerterrein is de toegang tot, en behelst parkeerplaatsen voor, gasten van het café. Plaatsing van deze borden zorgt er nu juist voor dat gevaarlijke verkeerssituaties worden voorkomen. Bovendien wordt al jarenlang het plaatsen door de betrokkene van dergelijke borden tijdens evenementen op zijn terrein gedoogd.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 1a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) dat luidt:
“Het is aan anderen dan degenen die daartoe krachtens dit besluit bevoegd zijn verboden op, langs of boven de wegen verkeerstekens aan te brengen, te doen aanbrengen, aangebracht te houden of te verwijderen dan wel de zichtbaarheid van verkeerstekens weg te nemen.”
4. De gegevens in het zaakoverzicht houden samengevat in dat de betrokkene borden langs de weg heeft geplaatst, dat dit is geschied om voertuigen zijn terrein op te laten rijden en dat het een voor het openbaar verkeer openstaande weg betreft.
5. In het dossier bevindt zich verder een op 30 november 2018 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen waarin – voor zover van belang – het volgende is opgenomen:
“Wij, verbalisanten, zagen ook dat [betrokkene] , zonder toestemming van de gemeente Wijchen of provincie Gelderland, eigenhandig verkeersborden had geplaatst. Wij, verbalisanten, hebben niet gezien dat [betrokkene] de verkeersborden daadwerkelijk heeft geplaatst. Wij hoorden [betrokkene] wel tegen ons zeggen dat de verkeersborden zijn eigendom waren en dat hij deze zelfstandig op zijn terrein had geplaatst. Wij, verbalisanten, hebben de borden, welke [betrokkene] had geplaatst, niet vermeld zien staan in onze briefing en overzicht met goedgekeurde verkeersmaatregelen. De borden, welke [betrokkene] had geplaatst, stonden niet in het plan van de goedgekeurde verkeersmaatregelen waarvoor de gemeente Wijchen en provincie Gelderland een vergunning hadden verleend aan de firma [C] .”
6. Bij voormeld proces-verbaal is een foto gevoegd, gemaakt ten tijde van de gedraging. Op deze foto is te zien dat op het parkeerterrein voor het café [D] , verspreid over dit terrein, een tweetal borden is geplaatst. De borden lijken op bord E4 krachtens bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, maar zijn geel, zoals bij tijdelijke verkeersmaatregelen gebruikelijk is.
7. Het hof begrijpt het verweer van de betrokkene zo dat de door hem geplaatste borden op zijn eigen terrein en daarmee niet op de openbare weg stonden en dat derhalve de bepalingen krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) – waartoe ook de bepalingen van het BABW behoren – op dit terrein niet van toepassing zijn.
8. Het hof overweegt dat de door de betrokkene geplaatste borden moeten worden aangemerkt als verkeerstekens in de zin van het BABW (zie daarvoor Hoofdstuk II, paragraaf 1 van dit besluit) en dat deze zichtbaar waren voor het verkeer op de weg die langs het terrein van het café van de betrokkene loopt. Het hof ziet zich gelet op het verweer van de betrokkene voor de vraag gesteld of de betrokkene hiermee heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 1a van het BABW.
9. Voor beantwoording van deze vraag is allereerst van belang dat wordt vastgesteld wat onder ‘weg’ moet worden verstaan, zoals genoemd in artikel 1a van het BABW. Het BABW zelf definieert het begrip ‘weg’ niet. Nu echter in het BABW veelvuldig wordt verwezen naar de WVW 1994 (artikel 1 onderPro j. van het BABW luidt: “In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder wet: Wegenverkeerswet 1994), zoekt het hof voor de uitleg van het begrip ‘weg’ aansluiting bij hetgeen daaronder in de WVW 1994 wordt verstaan. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet onder "wegen" worden verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.”
10. Niet in geding is dat het betreffende parkeerterrein behoort bij de daar gelegen horecagelegenheid van de betrokkene. Beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is echter de vraag of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1997, LJN ZD0686 gepubliceerd in VR 1998, 2).
11. Uit hetgeen door de betrokkene zelf is aangevoerd, in combinatie met de verklaring van de ambtenaren en wat op de foto is te zien, stelt het hof vast dat de borden langs de weg stonden en betrekking hadden op een voor openbaar verkeer toegankelijk terrein, zodat deze moeten worden aangemerkt als verkeerstekens in de zin van artikel 1a van het BABW. Anders dan de betrokkene meent, doet hieraan niet af dat deze plaats eigen terrein is.
12. Gesteld noch gebleken is dat de rechthebbende zich op kenbare wijze het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494). Dat het parkeerterrein enkel openstond voor gasten van het café is niet gebleken. Het voorgaande in aanmerking genomen moet de plaats waar de borden waren geplaatst, worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden.
13. Ten slotte dient te worden vastgesteld wie krachtens het BABW bevoegd is tot het aanbrengen van verkeerstekens. Volgens artikel 1, onder c, van het BABW wordt onder bevoegd gezag verstaan het gezag als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WVW 1994.
14. Artikel 18, eerste lid, WVW 1994 luidt: “Verkeersbesluiten worden genomen:
a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;
b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;
c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;
d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie.”
15. Nu de betrokkene niet tot het bevoegd gezag als voormeld behoort, was hij niet bevoegd verkeerstekens aan te brengen langs de weg, die verwijzen naar het parkeerterrein voor zijn café. Derhalve staat vast dat de onderhavige gedraging is verricht.
16. Dat de betrokkene al jarenlang dergelijke verkeerstekens op deze wijze plaatst zonder hiervoor een sanctie te hebben ontvangen, doet aan het voorgaande niet af. Niet is aannemelijk geworden dat er sprake was van een gedoogbeleid waarop de betrokkene gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Omstandigheden die aanleiding geven de sanctie ongedaan te maken, zijn dan ook niet gebleken.
17. Voorgaande houdt in dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen door het beroep ongegrond te verklaren. Deze beslissing zal dan ook worden bevestigd.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.