ECLI:NL:GHARL:2019:10670

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 december 2019
Publicatiedatum
12 december 2019
Zaaknummer
Wahv 200.238.188/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken deugdelijke machtiging namens rechtspersoon

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. De kern van het geschil betrof de vraag of de gemachtigde voldoende bewijs had geleverd van zijn bevoegdheid om namens een rechtspersoon op te treden.

De kantonrechter had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de overgelegde machtiging niet voldeed aan de vereisten: er ontbrak een uittreksel van de Kamer van Koophandel waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ondertekenaar bleek. De gemachtigde, een professionele rechtsbijstandverlener, had dit moeten weten en had de machtiging moeten voorzien van de benodigde gegevens.

Het hof bevestigde deze beslissing. Het oordeelde dat de kantonrechter op grond van de Awb bevoegd was om een schriftelijke machtiging te verlangen en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien deze niet toereikend was en het verzuim niet binnen de gestelde termijn werd hersteld. Omdat de gemachtigde niet tijdig een deugdelijke machtiging had overgelegd, kon het beroep niet ontvankelijk worden verklaard.

Verder wees het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de inleidende beschikking niet werd vernietigd. Hierdoor bleef de sanctie gehandhaafd en kon het hof niet inhoudelijk op de bezwaren tegen de sanctie ingaan.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging en het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.238.188/01
CJIB-nummer
: 197413996
Uitspraak d.d.
: 12 december 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 5 december 2017, betreffende

Mr. [A] ( [B] Juristen),

kantoorhoudende te Nijmegen,
beweerdelijk optredende voor: [betrokkene] BV,
gevestigd te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Mr. [A] (hierna: [A] ) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat [A] bij de overgelegde machtiging geen uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft gevoegd, zodat niet gecontroleerd kan worden wie bevoegd is [A] te machtigen.
2. [A] voert in hoger beroep aan dat uit de verzuimbrief van de (griffier van de) kantonrechter niet zonder meer blijkt dat tevens om een uittreksel werd gevraagd. In die brief wordt immers gevraagd om “een schriftelijke machtiging en/of uittreksel.” Het te herstellen verzuim is aldus onvoldoende concreet omschreven. Reeds hierom is het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
3. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevoegd van een gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
4. Indien de kantonrechter vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt dan wel niet toereikend is, kan het beroep op grond van artikel 6:6 Awb Pro niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
5. Bij de stukken bevindt zich een brief van de griffier van de rechtbank van 27 oktober 2017 waarin [A] wordt uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op 5 december 2017. In die brief wordt [A] er op gewezen dat hij geen machtiging en/of uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens [betrokkene] BV beroep in te stellen. Voorts staat in deze brief dat hij, [A] , de gelegenheid krijgt om dit verzuim te herstellen en dat de machtiging waaruit zijn bevoegdheid blijkt uiterlijk op 24 november 2017 door de griffier moet zijn ontvangen, bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
6. Bij faxbericht van 20 november 2017 heeft [A] een machtiging overgelegd. Deze machtiging vermeldt niet de naam van de ondertekenaar. Aan de machtiging is evenmin een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel toegevoegd, waaruit blijkt wie bevoegd is [betrokkene] BV in rechte te vertegenwoordigen en wie daarmee namens [betrokkene] BV de machtiging kan afgeven. Het hof stelt vast dat [A] deze machtiging al eerder in de procedure had overgelegd, namelijk bij het instellen van administratief beroep.
7. Uit voormelde brief van 27 oktober 2017 kan bezwaarlijk anders worden afgeleid dan dat de reeds overgelegde machtiging naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoet aan de gestelde eisen. Nu sprake is van een rechtspersoon die slechts bij vertegenwoordiging kan handelen, had het [A] – als professionele rechtsbijstandverlener – duidelijk moeten zijn dat uit de machtiging dient te blijken wie namens de rechtspersoon heeft getekend en dat die persoon ook bevoegd is tot vertegenwoordiging. Dat laatste had bijvoorbeeld kunnen blijken door het overleggen van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
8. Nu geen deugdelijke machtiging is overgelegd en dat verzuim niet binnen een daarvoor gegeven termijn is hersteld, heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan de bezwaren van [A] tegen de opgelegde sanctie.
9. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.