Uitspraak
1.de vennootschap onder firma [appellant1] ,
2. [appellant2] ,
3. [appellante3] ,
[appellanten] c.s.,
Gorecht,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond een huurgeschil centraal tussen [appellanten] c.s. als huurders en Gorecht Vastgoedfonds BV als verhuurder. De huurders hadden de huurbetaling over een periode opgeschort wegens vermeende gebreken aan de gehuurde bedrijfsruimte, waaronder een niet geleverde cv-ketel, achterstallig schilderwerk, lekkage en herontwikkelingsplannen. In eerste aanleg werd hen veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en werd hun vordering tot huurprijsvermindering afgewezen.
In hoger beroep stelden de huurders dat de gebreken hadden geleid tot verminderd huurgenot en dat opschorting gerechtvaardigd was. Het hof stelde vast dat de gebreken inmiddels niet meer bestonden en dat de huurders daarom geen belang meer hadden bij opschorting. Daarnaast wees het hof het beroep op huurprijsvermindering af omdat de huurovereenkomst een clausule bevat die huurprijsvermindering bij gebreken uitsluit, tenzij sprake is van uitzonderingen die hier niet waren aangevoerd.
De huurders hadden onvoldoende onderbouwd dat de gebreken het huurgenot relevant hadden verminderd. Ook werd vastgesteld dat de huurders de huurachterstand niet hadden voldaan terwijl daarvoor geen grond meer bestond. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter voor zover het de hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten betrof en stelde deze vast op een iets lager bedrag. Het hoger beroep tegen het tussenvonnis werd niet-ontvankelijk verklaard en de huurders werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen, huurders veroordeeld tot betaling van huurachterstand en kosten.