Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een koopovereenkomst uit 1996 waarbij appellant 9,5 hectare grond verkocht aan NPB tegen een prijs die ver boven de agrarische waarde lag, met het oog op toekomstige woningbouw. De bestemmingswijziging die de levering mogelijk zou maken, laat echter al jaren op zich wachten.
Appellant vordert ontbinding van de koopovereenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW Pro) of subsidiair op grond van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW Pro), en stelt dat NPB onrechtmatig handelt door aan de overeenkomst vast te houden. Het hof oordeelt dat de vertraging en omstandigheden onvoldoende extreem zijn om rechterlijk in te grijpen in de afspraken tussen partijen.
Het hof benadrukt dat de onzekerheid over de bestemmingswijziging al bij het sluiten van de overeenkomst was voorzien en dat er geen sprake is van een uitzichtloze situatie. Ook is onvoldoende concreet bewijs geleverd van nadelige gevolgen voor appellant. De curator is bereid de afgesproken prijs te betalen en de grond door te verkopen.
Daarom wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en worden de vorderingen van appellant afgewezen. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellant af.