AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep inzake nietigheid testament wegens wilsbekwaamheid en nalatenschapsverdeling
De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland waarin de vorderingen van appellanten tot nietigverklaring van het testament van de erflaatster zijn afgewezen. De erflaatster was op het moment van overlijden weduwe en had bij testament haar nalatenschap aan bepaalde geïntimeerden toegekend. Appellanten stellen dat de erflaatster ten tijde van het testament niet meer volledig wilsbekwaam was en onder druk stond, waardoor het testament nietig zou zijn.
In eerste aanleg werd het verzoek van appellanten afgewezen. In hoger beroep vorderen zij primair dat het hof verklaart dat de nalatenschap toekomt aan de wettelijke erfgenamen op grond van verwerping door de erfgenamen in het testament, en subsidiair dat het testament nietig wordt verklaard. Tevens vorderen zij onder meer het opmaken van een boedelbeschrijving en veroordeling van geïntimeerden tot afgifte van het erfdeel.
Het hof heeft in dit tussenarrest de procedurele aspecten behandeld, waaronder het betekenen van de memorie van grieven aan geïntimeerden die nog niet waren bereikt, en stelt termijnen voor het zuiveren van verstek en het nemen van een memorie van antwoord. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na nakoming van deze voorwaarden.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan en stelt appellanten in de gelegenheid de memorie van grieven te betekenen aan geïntimeerden die nog niet zijn bereikt.
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest, waarin een comparitie van partijen is gelast, van 11 juni 2019 hier over. De (meervoudige) comparitie van partijen heeft op 28 november 2019 plaatsgevonden.
2.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
2.1
Op 31 januari 2012 is, zonder achterlating van afstammelingen, overleden mevrouw [de erflaatster] , hierna te noemen erflaatster. Erflaatster was op het moment van haar overlijden weduwe van de heer [naam1] en niet gehuwd of geregistreerd als partner. Erflaatster heeft laatstelijk op 16 oktober 2008 bij testament, verleden ten overstaan van mr. J.J.M.M. Ridderhof, destijds notaris te Vaassen (verder: de notaris), over haar nalatenschap beschikt aldus:
‘(…)
De testatrice verklaarde
Ate herroepenalle door haar voor dato dezer gemaakte uiterste wilsbeschikkingen
Bte benoementot haar enige erfgenaam de heer [geïntimeerde1] , geboren te [plaats1] [in] negentienhonderd eenendertig, wonende [adres1] te [woonplaats3] en zo deze mocht zijn vooroverleden, dan wel gelijktijdig met haar, testatrice, overlijdt in de zin der wet in zijn plaatste benoementot haar enige erfgename diens echtgenote mevrouw [geïntimeerde2] en zo ook zij mocht zijn vooroverleden dan wel gelijktijdig met haar, testatrice, overlijdt in haar plaatste benoementot haar enige erfgename mevrouw [geïntimeerde3] , geboren [in] negentienhonderd drie en zestig, wonende [adres2] te [woonplaats4]
Dte bepalendat noch hetgeen de verkrijgers uit haar nalatenschap verkrijgen, noch de vruchten daarvan zal/zullen vallen in enigerlei gemeenschap van goederen krachtens aangegaan of aan te gaan huwelijk of geregistreerd partnerschap en evenmin zal worden begrepen in enigerlei verrekenbeding gemaakt of te maken bij huwelijksvoorwaarden, partnerschapsvoorwaarden, samenlevingsovereenkomst of anderszins
(…)’
Het testament is ondertekend door erflaatster en de notaris.
Op 29 maart 2012 is door de notaris een verklaring van erfrecht opgemaakt waarin onder meer staat:
‘(…)
5. Verwerping
Bij akte (…) op drie en twintig maart tweeduizend twaalf (23-03-2012) opgemaakt ter griffie van de rechtbank te Zutphen is de nalatenschap van de overledene namens de heer [geïntimeerde1] , voornoemd, verworpen.
(…)
7.Verwerping
Bij akte (…) op drie en twintig maart tweeduizend twaalf (23-03-2012) opgemaakt ter griffie van de rechtbank te Zutphen is de nalatenschap van de overledene namens mevrouw [geïntimeerde2] , voornoemd, verworpen.
(…)
9. Zuivere aanvaarding
Mevrouw [geïntimeerde3] , voornoemd, heeft de nalatenschap zuiver aanvaard (…)
10. Volmacht
Mevrouw [geïntimeerde3] , voornoemd, heeft volmacht gegeven aan de heer [geïntimeerde1] , voornoemd, tot het verrichten van na te melden rechtshandelingen. (…)’
2.2
Op 10 juli 2015 hebben [appellanten] bij de rechtbank een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 1 en 26 oktober 2015. Daarbij zijn gehoord [appellanten] , [geïntimeerden] (althans die onder 1, 2 en 3 genoemd), de notaris, en familieleden van [appellanten] De van die getuigenverhoren opgemaakte processen-verbaal zijn onderdeel van de processtukken.
2.3
[appellanten] hebben [geïntimeerden] op 6 juli 2016 gedagvaard. Kort samengevat hebben zij gevorderd voor recht te verklaren dat het testament van erflaatster nietig is en voor recht te verklaren dat de nalatenschap van erflaatster toekomt aan de wettelijke erfgenamen ex artikel 4:10 BWPro. Ook hebben zij gevorderd om de gedaagden 1, 2, en 3 te veroordelen op eigen kosten een notariële boedelbeschrijving op te laten maken onder verbeurte van een dwangsom. Eveneens is gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen om aan hen, eisers, te voldoen hun erfdeel in de nalatenschap zoals die zal blijken uit de op te maken notariële boedelbeschrijving en hen te veroordelen in de kosten van de procedure en andere nader genoemde kosten. Zij stellen zich kort gezegd op het standpunt dat erflaatster ten tijde van het verlijden van het testament niet meer (volledig) compos mentis was en daarom niet in staat was haar wil behoorlijk te bepalen met betrekking tot haar vermogensrechtelijke belangen. Het testament is volgens hen tot stand gekomen onder invloed van forse cognitieve stoornissen van erflaatster en deze stoornissen beletten haar een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen. Ook stellen zij dat erflaatster door [geïntimeerde1] onder druk is gezet. Het testament is volgens hen nietig.
2.4
Bij conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, hebben de gedaagden sub 1 en 2 geconcludeerd eisers in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen af te wijzen en hen te veroordelen in de kosten van de procedure. In reconventie in incident hebben zij kort gezegd gevorderd eisers te veroordelen tot opheffing van door eisers ten laste van gedaagden gelegde beslagen, met veroordeling van eisers in de kosten van het incident.
2.5
Bij vonnis van 2 november 2016 heeft de rechtbank een verschijning van partijen bevolen. De comparitie in de hoofzaak en in het incident is gehouden op 13 januari 2017, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Ten aanzien van het incident hebben partijen op de comparitie van partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de vorderingen in het incident zijn ingetrokken. Ten aanzien van de hoofdzaak hebben eisers hun eis op de comparitie gewijzigd.
2.6
Bij vonnis van 4 oktober 2017 (het bestreden vonnis) heeft de rechtbank de wijziging van eis buiten beschouwing gelaten en de vorderingen afgewezen. [appellanten] zijn, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van het geding.
3.Het geschil in hoger beroep
3.1
[appellanten] komen in hoger beroep van het bestreden vonnis. Zij vorderen
dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, op 2 november 2016 en 4 oktober 2017 gewezen vonnissen vernietigt, en opnieuw rechtdoende in hoger beroep:
I. Primair bij tussenarrest te verklaren voor recht dat de nalatenschap van mevrouw [de erflaatster] toekomt aan de wettelijke erfgenamen ex artikel 4:10 BWPro op grond van de verwerping van de nalatenschap van mevrouw [de erflaatster] door [geïntimeerde1] op 23 maart 2012;
II. Subsidiair bij tussenarrest te verklaren voor recht:
dat de testamenten van mevrouw [de erflaatster] , opgemaakt op 28 februari 2008 en 16 oktober 2008 ten overstaan van notaris mr. J.J.M.M. Ridderhof, nietig zijn;
dat eisers recht hebben op inzage in het testament van mevrouw [de erflaatster] uit 1976 en (afhankelijk van de inhoud hiervan) over kunnen gaan tot beneficiaire aanvaarding hiervan;
III. a. bij tussenarrest een notaris te benoemen die, op kosten van geïntimeerden sub 1 tot en met 3, een boedelbeschrijving dient op te maken binnen een door het hof te bepalen termijn;
b. bij tussenarrest geïntimeerden sub 1 tot en met 3 te veroordelen om binnen 14 dagen na het wijzen van het tussenarrest aan de notaris alle informatie en stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het opstellen van een boedelbeschrijving, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, met een maximum van € 500.000,-, althans een dwangsom welke het hof in goede justitie vermeent te behoren, voor iedere dag dat zij met deze veroordeling in gebreke zijn;
IV. de vorderingen onder 1 en II bij eindarrest toe te wijzen, indien de vorderingen niet bij tussenarrest mochten worden toegewezen;
bij eindarrest de omvang en de hoogte van de nalatenschap vast te stellen alsmede de wettelijke verdeling hiervan aan de hand van de boedelbeschrijving;
ij eindarrest de geïntimeerden sub 1 tot en met 3 te veroordelen om aan de wettelijke erfgenamen het aan hen toekomende erfdeel te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het eindvonnis aan gedaagden sub 1 tot en met 3;
V. te bepalen dat geïntimeerden sub 4 tot en met 11 alle beslissingen van het hof in alle onderdelen dienen te gehengen en gedogen;
VI. geïntimeerden sub 1 tot en met 3 hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van beide instanties en alle andere kosten genoemd onder punt 32 van de dagvaarding in eerste aanleg.
3.2
[geïntimeerde1] 1. tot en met 3. voeren verweer en concluderen dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[appellanten] geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaart in hun vorderingen, althans hun grieven ongegrond te verklaren en de vorderingen af te wijzen;
het bestreden vonnis, voor zover nodig met verbetering en/aanvulling van gronden, te bekrachtigen; en
[appellanten] te veroordelen in de proceskosten van de procedure te voldoen binnen 14 dagen na de dag dat het arrest gewezen wordt en – voor zover de voldoening binnen de gestelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten.
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1
Op 27 maart 2018 is de onderhavige zaak bij dagvaarding aangebracht bij het hof. Op diezelfde datum heeft mr. Van Acht zich als procesvertegenwoordiger gesteld voor de geïntimeerden sub 1 tot en met 3. Tegen de geïntimeerden sub 4 tot en met 11 is verstek verleend.
4.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2019, waarbij aanwezig waren [appellanten] bijgestaan door mr. Pierik en [geïntimeerde3] , geïntimeerde sub 3, bijgestaan door mr. Van Acht. Daar bleek, desgevraagd, dat de geïntimeerden sub 4 tot en met 11 weliswaar in hoger beroep zijn gedagvaard, maar dat het comparitie-arrest van het hof en de memorie van grieven niet aan hen zijn betekend. De memorie van grieven bevat een andere vordering dan de dagvaarding in hoger beroep.
4.3
Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te kunnen komen zal het hof appellanten vier weken de tijd geven, te rekenen vanaf de datum van dit arrest, om de memorie van grieven, alsmede dit arrest en het arrest van 11 juni 2019 te betekenen aan de geïntimeerden sub 4 tot en met 11 en om als bewijs daarvan de betreffende betekeningsexploiten op de roldatum 14 januari 2020 (in kopie) aan het hof te doen toekomen. Vervolgens zal, zo er betekend is, aan de geïntimeerden sub 4 tot en met 11 een termijn van vier weken worden gegeven hun verstek te zuiveren en zich te stellen.
4.4
Voor zover een of meer van de geïntimeerden sub 4 tot en met 11 alsnog in de procedure verschijnen, geeft het hof deze(n) nu voor alsdan de gelegenheid om op de roldatum van 11 februari 2020 een memorie van antwoord te nemen.
4.5
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
5.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
5.1
geeft appellanten vier weken de tijd, te rekenen vanaf de datum van dit arrest, om de memorie van grieven alsmede dit arrest en het arrest van 11 juni 2019 te betekenen aan de geïntimeerde sub 4 tot en met 11 en om ten bewijze daarvan de betreffende betekeningsexploiten (in kopie) aan het hof te doen toekomen;
5.2
verwijst de zaak naar de roldatum 14 januari 2020voor overlegging van de betekeningsexploiten door appellanten als hiervoor bedoeld;
5.3
voor zover een van de geïntimeerden sub 4 tot en met 11 alsnog in de procedure verschijnen, verwijst het hof de zaak naar de roldatum 11 februari 2020voor het nemen van een memorie van antwoord door deze(n);
5.4
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.