ECLI:NL:GHARL:2019:11155

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2019
Publicatiedatum
24 december 2019
Zaaknummer
21-001935-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e lid 6 Wetboek van StrafrechtArt. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens toewijzing vordering benadeelde partij in oplichtingszaak

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2019 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een veroordeelde wegens meervoudige oplichting. De zaak betrof onder meer de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde was eerder door hetzelfde hof veroordeeld voor oplichting.

De benadeelde partij, ABN AMRO, had zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend. Het hof heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van €7.019.544,79. Volgens artikel 36e lid 6 (oud) van het Wetboek van Strafrecht worden vorderingen van benadeelde derden in mindering gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, ongeacht of deze vorderingen zijn voldaan.

Uit het strafdossier en de behandeling van de ontnemingsvordering bleek dat de veroordeelde financieel voordeel had genoten tot hetzelfde bedrag. Door de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil. Daarom wijst het hof de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht door de ontnemingsvordering af te wijzen. De veroordeelde was niet aanwezig bij de terechtzitting. Het arrest is uitgesproken in aanwezigheid van de voorzitter, raadsheren en griffier.

Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen vanwege toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001935-17
Uitspraak d.d.: 18 december 2019
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2017 met parketnummer 05-980628-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 november 2019 en 18 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. N. van Schaik, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 18 december 2019 (parketnummer 21-001424-16) veroordeeld ter zake van onder meer oplichting, meermalen gepleegd (feit 1).
Op grond van artikel 36e lid 6 (oud) van het Wetboek van Strafrecht worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Onder die bepaling hoeft de vordering niet te zijn voldaan.
ABN AMRO heeft zich in de hoofdzaak als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Het hof heeft die vordering toegewezen tot een bedrag van € 7.019,544,79.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten tot een bedrag van € 7.019.544,79.
Vanwege de toewijzing van de vordering benadeelde partij in de hoofdzaak schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil. De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. G.A. Versteeg en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier,
en op 18 december 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 18 december 2019.
Tegenwoordig:
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. J.A.A.M. Francissen, advocaat-generaal,
mr. M.B. Haak, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De veroordeelde is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.