ECLI:NL:GHARL:2019:11155
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens toewijzing vordering benadeelde partij in oplichtingszaak
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2019 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een veroordeelde wegens meervoudige oplichting. De zaak betrof onder meer de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde was eerder door hetzelfde hof veroordeeld voor oplichting.
De benadeelde partij, ABN AMRO, had zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend. Het hof heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van €7.019.544,79. Volgens artikel 36e lid 6 (oud) van het Wetboek van Strafrecht worden vorderingen van benadeelde derden in mindering gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, ongeacht of deze vorderingen zijn voldaan.
Uit het strafdossier en de behandeling van de ontnemingsvordering bleek dat de veroordeelde financieel voordeel had genoten tot hetzelfde bedrag. Door de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil. Daarom wijst het hof de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht door de ontnemingsvordering af te wijzen. De veroordeelde was niet aanwezig bij de terechtzitting. Het arrest is uitgesproken in aanwezigheid van de voorzitter, raadsheren en griffier.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen vanwege toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.