De vader is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn twee minderjarige kinderen heeft verleend. De kinderen wonen sinds oktober 2018 bij pleegouders, familie van moederszijde. De vader verzoekt vernietiging van de machtiging en afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing.
Het hof overweegt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen hebben een belast verleden met fysieke en emotionele verwaarlozing. De moeder is momenteel niet stabiel genoeg om voor de kinderen te zorgen en de vader heeft sinds oktober 2018 geen contact meer met hen. De pleegouders bieden een veilige en voorspelbare opvoedingssituatie.
De verstoorde familieverhoudingen en zorgen over veiligheid bij de vader maken terugplaatsing niet mogelijk. Het hof oordeelt dat de uithuisplaatsing niet in strijd is met het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind, omdat deze noodzakelijk en proportioneel is. De grieven van de vader falen en de beschikking wordt bekrachtigd.