Uitspraak
(hierna: het FPC)de Dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen.
‘a’van het Wetboek van Strafrecht. Hierin wordt bepaald dat de termijn van de terbeschikkingstelling niet loopt, gedurende de tijd dat de terbeschikkinggestelde die van overheidswege wordt verpleegd uit andere hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsbeneming ongeoorloofd afwezig is. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op de opvatting dat de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, een onderdeel is van de wettelijke regeling met betrekking tot de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, hetgeen met zich meebrengt dat waar in artikel 38f, eerste lid, onder
‘a’wordt gesproken over verpleging van overheidswege daaronder ook de voorwaardelijk beëindigde verpleging van overheidswege valt. De rechtbank komt tot deze opvatting op grond van de plaats in het Wetboek van Strafrecht waar de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege is opgenomen (artikel 38g). Daarnaast baseert de rechtbank zich op de parlementaire stukken bij de wetswijziging van het Wetboek van Strafrecht in 2005
(Stb. 2005, 194), waarbij de wetgever het huidige artikel 38f, eerste lid, onder
‘b’van het Wetboek van Strafrecht heeft ingevoerd, waarbij de opschorting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt geregeld in het geval van vrijheidsbeneming. Van een omissie in de wetgeving of situatie die separaat geregeld dient te worden, zoals aangegeven in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 5 december 2011 (ECLI:NL:GHARN:2011:BU7382) is geen sprake, aldus de rechtbank. De rechtbank stelt dan vast dat de termijn van de terbeschikkingstelling is opgeschort, vanaf het moment dat de terbeschikkinggestelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit was op 20 november 2015. De termijn van de maatregel is met twee jaar en elf dagen opgeschort geweest. Deze tijd is in voorlopige hechtenis doorgebracht. De nieuwe expiratiedatum luidt daarom volgens de rechtbank 14 augustus 2019. Omdat het openbaar ministerie de vordering niet binnen de daarvoor in artikel 509o Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn heeft ingediend, wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
‘a’van het Wetboek van Strafrecht. Op 20 november 2015 is de terbeschikkinggestelde aangemerkt als verdachte in een strafzaak en uit dien hoofde is hem rechtens zijn vrijheid ontnomen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit tevens als datum heeft te gelden waarop de termijn van de terbeschikkingstelling is opgeschort. Dit kan naar de visie van de verdediging worden afgeleid uit artikel 38f, eerste lid, onder
‘b’van het Wetboek van Strafrecht. De ratio van de genoemde wettelijke bepaling brengt met zich mee dat de regeling omtrent opschorting van de termijn bij een terbeschikkingstelling met voorwaarden, van overeenkomstige toepassing is bij de verpleging van overheidswege die voorwaardelijk is beëindigd. Deze situaties zijn immers feitelijk grotendeels hetzelfde. Omdat de termijn van de maatregel op 20 november 2015 is opgeschort, dient van een nieuwe expiratiedatum te worden uitgegaan. Dit is 14 augustus 2019. Omdat de vordering van de officier van justitie te vroeg is ingediend en dus niet binnen de daarvoor in artikel 509o Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn valt, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.
‘a’van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, in een situatie waarbij de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd. In dit verband is gewezen op de uitspraak van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 december 2011 (ECLI:NL:GHARN:2011:BU7382). Voorts is de parlementaire geschiedenis aangehaald
(Stb. 2005, 194)en de toekomstige Wet Herziening Tenuitvoerlegging Strafrechtelijke Beslissingen
(Stb. 2017, 82).Op dit moment is de situatie waarin de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd (nog) niet ondervangen in artikel 38f van het Wetboek van Strafrecht. De termijn van de terbeschikkingstelling is in het onderhavig geval pas opgeschort geweest, vanaf het moment dat de beslissing tot hervatting van de verpleging van overheidswege onherroepelijk is geworden. Dit was op 15 oktober 2016. De termijn van de maatregel is vervolgens met 400 dagen opgeschort. De vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel is daarna binnen de in artikel 509o van het Wetboek van Strafrecht bepaalde termijn ingediend. Er is gevorderd om het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de verlengingsvordering.
(Stb 2017, 82). Deze wet is nog niet in werking getreden.
Overwegingen:
Beslissing
[terbeschikkinggestelde].
twee jaar.