In deze civiele zaak stond de vraag centraal of sprake was van een geldleningsovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde met betrekking tot een bedrag van €33.000,- voor de realisatie van een fotoboek. Het hof stelde vast dat appellant twee bedragen overmaakte onder vermelding van 'lening', en dat geïntimeerde een deel had terugbetaald, wat wijst op een terugbetalingsverplichting.
Geïntimeerde stelde dat de terugbetaling slechts hoefde plaats te vinden uit de verkoopopbrengsten van het boek, een voorwaarde die het hof aannam als voldoende onderbouwd. Appellant kon niet aantonen dat deze voorwaarde niet langer aan nakoming in de weg stond, waardoor de primaire vordering werd afgewezen.
Het hof kwalificeerde de subsidiaire vordering als een verzoek om inzage in de administratie ex artikel 843a Rv, waarbij appellant een rechtmatig belang heeft. Het hof gelastte een comparitie om nadere inlichtingen te verkrijgen en een regeling te beproeven, waarbij geïntimeerde voorafgaand een afschrift van de administratie moet overleggen.
De uitspraak bevestigt dat een geldleningsovereenkomst met een opschortende voorwaarde rechtsgeldig is en legt de bewijslast van het vervallen van die voorwaarde bij de schuldeiser. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling na de comparitie.