ECLI:NL:GHARL:2019:1444

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 februari 2019
Publicatiedatum
14 februari 2019
Zaaknummer
WAHV 200.249.276
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens nalaten zekerheidstelling bij dwangbevel

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beschikking van de kantonrechter Rotterdam die zijn verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet-ontvankelijk had verklaard. Volgens artikel 26a van de Wahv is hoger beroep slechts ontvankelijk na zekerheidstelling van het verschuldigde bedrag en betaling van griffierecht.

De griffier van de rechtbank had betrokkene bij brief gewezen op deze verplichting en verwees voor het bedrag naar het dwangbevel en het exploit van betekening. Betrokkene heeft echter nagelaten het dwangbevel en het exploit over te leggen en heeft ook geen zekerheid gesteld binnen de gestelde termijn.

De Minister stelde dat de brief onvoldoende duidelijk was over het bedrag, maar het hof oordeelde dat een enkele verwijzing naar het dwangbevel en het exploit voldoende is indien betrokkene deze documenten had kunnen overleggen. Doordat betrokkene dit niet deed en geen zekerheid stelde, is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van de vereiste zekerheid.

Uitspraak

WAHV 200.249.276
14 februari 2019
CJIB 191917009
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 21 september 2018
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter .
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Ingevolge artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) is het hoger beroep tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.
2. Bij brief van 2 oktober 2018 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene gewezen op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling griffierecht te betalen.
3. Uit een brief van de griffier van de rechtbank gedateerd 8 november 2018 aan de griffier van het hof blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld.
4. In het verweerschrift heeft de Minister geconcludeerd dat uit de brief van 2 oktober 2018 niet duidelijk blijkt welk bedrag de betrokkene moet overmaken voor de zekerheidstelling en dat een verwijzing naar een deurwaardersexploot hiertoe niet volstaat. De Minister concludeert dat aan de betrokkene een nieuwe termijn moet worden gesteld voor het stellen van zekerheid.
5. Het hof heeft geconstateerd dat in de brief van de griffier van de rechtbank het bedrag van de zekerheidstelling niet is vermeld, maar dat is volstaan met verwijzing naar het deurwaardersexploit waarbij het dwangbevel werd betekend. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 8 december 1998 (VR 1999/106) volgt dat, indien de betrokkene heeft nagelaten om het dwangbevel en een afschrift van het exploit van betekening over te leggen, de griffier van de rechtbank de betrokkene niettemin op de voet van art. 26a, tweede lid, WAHV dient te wijzen op de verplichting om zekerheid te stellen. Redelijke wetstoepassing brengt in een zodanig geval echter met zich dat kan worden aangenomen dat de griffier voor wat betreft de opgave van het nog verschuldigde bedrag en al de kosten kan volstaan met een enkele verwijzing naar het dwangbevel en het exploit van betekening.
6. Het dossier bevat niet het dwangbevel en het exploit van betekening. Bij brieven van 21 juni 2018 en 24 juli 2018 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene erop gewezen dat bij zijn verzetschrift geen dwangbevel en geen (volledige) kopie was gevoegd van het betekeningsexploit van de deurwaarder. De griffier heeft hem in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen na verzending van de brieven dit verzuim te herstellen. De betrokkene heeft hierop niet gereageerd en de kantonrechter heeft hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet op grond van de overweging dat de betrokkene had nagelaten bij het verzetschrift het dwangbevel en het exploit van betekening van het dwangbevel over te leggen.
7. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de griffier van de rechtbank in zijn brief van 2 oktober 2018 voor het bedrag van de zekerheidstelling kunnen volstaan met een enkele verwijzing naar het dwangbevel en het exploit van betekening.
8. Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld voor het verschuldigde bedrag en
niet gesteld of gebleken is dat het niet voldoen aan deze verplichting verschoonbaar is, moet het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.