ECLI:NL:GHARL:2019:1881

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2019
Publicatiedatum
27 februari 2019
Zaaknummer
21-007123-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 245 SvArt. 249 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor seksueel misbruik minderjarige dochter met toewijzing schadevergoeding

De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren wegens seksueel misbruik van zijn minderjarige dochter. Het hof bevestigt dit vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden, met uitzondering van de beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij, die het hof volledig toewijst.

De feiten betreffen stelselmatige ontuchtige handelingen over een periode van ongeveer vijf jaar, waaronder het aanraken van de borsten en seksueel binnendringen. Het hof benadrukt het misbruik van de bijzondere verantwoordelijkheid en het overwicht van de vader, evenals de ernstige schending van het vertrouwen en de veiligheid van het kind.

De verdachte heeft spijt betuigd, maar het hof constateert dat deze spijtbetuiging niet oprecht is richting het slachtoffer. De straf van twee jaar onvoorwaardelijk gevangenisstraf wordt passend geacht, mede gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt verhoogd tot € 23.011,65, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens wordt een schadevergoedingsmaatregel opgelegd om de betaling af te dwingen.

Het hof vernietigt het vonnis voor zover het de vordering van de benadeelde partij betreft en doet in dat onderdeel opnieuw recht. Voor het overige wordt het vonnis bevestigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf en volledige toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-007123-17
Uitspraak d.d.: 26 februari 2019
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 december 2017 met parketnummer 18-730589-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 en oplegging van een gevangenisstraf van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en het meewerken aan een ambulante behandeling in het geval de reclassering deze behandeling aangewezen acht. Voorts vordert de advocaat-generaal toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. G.R. Stoeten, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 14 december 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering heeft de rechtbank bepaald dat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk is.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Het hof is zoals hiervoor aangegeven van oordeel dat de rechtbank voor het overige behoudens de motivering van de opgelegde gevangenisstraf op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis op die punten met aanvulling en verbetering van de gronden te worden bevestigd.

Aanvulling van gronden

Overweging met betrekking tot het bewijs
Verdachte heeft ter zitting van het hof bekend dat hij het ten laste gelegde heeft gepleegd. Hij heeft daarbij echter het voorbehoud gemaakt dat hij zich niet herinnert dat hij zich in het bijzijn van [benadeelde] heeft afgetrokken en dat hij zijn tong in haar vagina heeft gebracht.
Het hof overweegt hieromtrent dat de bewijsconstructie zoals deze is opgenomen in het vonnis van de rechtbank ook op deze punten voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring.

Verbetering van gronden

Oplegging van straf en/of maatregel
De opgelegde straf is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer vijf jaren stelselmatig ontuchtige handelingen gepleegd met zijn minderjarige dochter. Aanvankelijk bestonden de ontuchtige handelingen eruit dat verdachte aangeefsters borsten aanraakte. Aangeefster was toen twaalf jaren oud. Later bestonden de ontuchtige handelingen mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.
Verdachte heeft zijn bijzondere verantwoordelijkheid als vader miskend en zijn aan deze positie verbonden overwicht misbruikt. Hij heeft door zijn handelen het gevoel van veiligheid en vertrouwen dat een kind thuis moet kunnen hebben op grove wijze beschaamd. Dergelijke gebeurtenissen kunnen langdurige gevolgen hebben voor de slachtoffers, omdat er sprake is van ernstige schending van hun geestelijke en lichamelijke integriteit. Dat dit ook voor aangeefster geldt, blijkt uit haar ter zitting van het hof voorgelezen indringende slachtofferverklaring.
Het hof is van oordeel dat naast het door verdachte gepleegde seksueel misbruik de houding en het gedrag van verdachte na de aangifte van het slachtoffer zeer kwalijk is geweest. Hij heeft zijn gedrag gebagatelliseerd en verantwoordelijkheid bij het slachtoffer gelegd door haar negatief af te schilderen. Dit heeft hij tezamen met zijn partner zelfs gedaan door middel van een brief aan familieleden waarin een onjuist beeld werd gegeven van hetgeen zich werkelijk heeft voorgedaan. Het hof kan dit handelen van verdachte niet anders zien dan een zelfzuchtige poging om de ernst van zijn gedrag af te zwakken. Hiermee heeft hij geen enkele empathie richting het slachtoffer getoond en opnieuw emotionele schade bij haar veroorzaakt.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 januari 2019 - niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Ook heeft het hof gelet op de inhoud van het rapport van de reclassering d.d. 18 juli 2017 en een door de raadsman overgelegde brief van de GGZ Friesland d.d. 5 juni 2018.
Door de verdediging is ter zitting van het hof verzocht om het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijk deel en een taakstraf voor de duur van de maximale periode. De verdediging heeft daarbij naar voren gebracht dat verdachte inmiddels een behandeltraject achter de rug heeft en hierdoor meer inzicht in zijn handelen heeft gekregen. Daarnaast raakt verdachte zijn baan kwijt als een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd en heeft hij de zorg voor zijn echtgenote.
Het hof overweegt als volgt. Verdachte heeft ter zitting van het hof meermalen spijt betuigd voor zijn daden. Maar het hof heeft ter zitting ook vastgesteld dat verdachte deze spijtbetuiging op geen enkele wijze op een eerder moment kenbaar heeft gemaakt aan zijn dochter, hetgeen wel in de rede had gelegen. Hij had hiermee ook een positieve bijdrage aan het herstel van zijn dochter kunnen leveren. Door wel veel te investeren in therapie van hemzelf om tot zelfinzicht van zijn verkeerde gedrag te komen, hetgeen op zich positief te noemen is, maar niets te ondernemen op het punt van openheid, inzicht en berouw richting zijn dochter komt de ter zitting gedane spijtbetuiging instrumenteel en niet werkelijk vanuit zijn gevoelens van empathie naar haar over. Het hof constateert dus dat verdachte tot op de dag van vandaag niet zijn verantwoording heeft genomen naar het slachtoffer toe, en daarmee het door hem veroorzaakte leed van zijn dochter niet in voldoende mate heeft erkend.
Voor ernstige zedendelicten zoals de onderhavige worden in de regel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van aanzienlijke duur opgelegd. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte afgezet tegen de ernst van de feiten geen redenen om daar vanaf te wijken.
Gelet op voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, zoals door de rechtbank opgelegd, passend en geboden. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten voor een voorwaardelijk strafdeel en/of het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.011,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft de vordering niet weersproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Dit betreft € 3.011,65 aan materiele schade, en € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 23.011,65 (drieëntwintigduizend elf euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 3.011,65 (drieduizend elf euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 23.011,65 (drieëntwintigduizend elf euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 3.011,65 (drieduizend elf euro en vijfenzestig cent) materiële schade en
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
150 (honderdvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 oktober 2006.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, inhoudende:
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. J.G. Idsardi, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,
en op 26 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Idsardi is buiten staat dit arrest te ondertekenen.