Belanghebbende, 100% aandeelhouder van [A] B.V., betwistte de informatiebeschikking van de Inspecteur die gericht was op het verkrijgen van bankafschriften ter onderbouwing van de rekening-courantverhouding tussen hem en zijn BV. De Inspecteur wilde inzicht in de geldstromen om de zakelijkheid van een afwaardering van de vordering te beoordelen.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en een termijn gesteld om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Het hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelde dat de Inspecteur terecht een informatiebeschikking heeft genomen omdat belanghebbende onvoldoende gegevens verstrekte.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat de Inspecteur al beschikte over de gevraagde informatie, dat het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel waren geschonden, en dat sprake was van misbruik van bevoegdheid. Het hof verwierp deze stellingen, stellende dat de Inspecteur gerechtvaardigd was in zijn verzoek om bankafschriften en dat geen sprake was van misbruik of schending van beginselen van behoorlijk bestuur.
Het hof gaf belanghebbende een termijn van zes weken na onherroepelijkheid van de uitspraak om alsnog de gevraagde bankafschriften te verstrekken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.