Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een onroerende zaak bestaande uit een berging/garage/opslagruimte, kantoorruimte en een voor bewoning geschikt gedeelte, gelegen op hetzelfde perceel als zijn woning. De gemeente heeft de WOZ-waarde vastgesteld en de aanslagen OZB opgelegd op basis van de status van niet-woning.
Belanghebbende betoogde dat de onroerende zaak geen zelfstandig WOZ-object is, dat er teveel grond is toegerekend en dat de zaak ten onrechte als niet-woning is aangemerkt. De heffingsambtenaar handhaafde de beschikking en aanslagen, waarop belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep heeft het hof het standpunt van belanghebbende onderzocht en geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de objectafbakening correct is, mede gelet op eerdere procedures en mediationafspraken. Het hof bevestigt dat de onroerende zaak terecht als niet-woning is aangemerkt en wijst het hoger beroep af.
Het verzoek van de heffingsambtenaar om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten wegens misbruik van procesrecht wordt afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan op 26 maart 2019.