De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beëindiging van zijn omgangsrecht met zijn zoon, vastgesteld door de rechtbank Overijssel. Sinds 2011 zijn diverse hulpverleningsprojecten ingezet om de ouders te laten stoppen met hun strijd, maar deze zijn niet geslaagd, voornamelijk door de houding en persoonlijkheid van de vader.
De vader heeft de zoon erkend en was tot 2013 mede belast met het gezag. De zoon woont bij de moeder, die het gezag uitoefent. De omgangsregeling was vastgesteld op basis van een beschikking uit 2011, maar werd in 2018 beëindigd. De vader verzocht het hof om deze beëindiging te vernietigen, maar het hof oordeelde dat de beëindiging noodzakelijk is in het belang van de zoon.
Het hof motiveerde dat de langdurige strijd tussen ouders en het gebrek aan samenwerking, mede door de vader, schadelijk is voor de geestelijke ontwikkeling van de zoon. Ondanks een laatste kans via een ouderschapsbemiddelingstraject toonde de vader onvoldoende bereidheid tot verandering. De zoon, die inmiddels twaalf jaar oud is, werd gehoord en gaf aan de omgang te missen, maar het hof achtte het belang van rust en duidelijkheid voor de zoon zwaarder.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank die de omgangsregeling beëindigde, waarbij het belang van het kind centraal stond en de negatieve effecten van de ouderlijke strijd werden meegewogen.