Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben hun huwelijk ontbonden. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is onderwerp van geschil, met name over bankrekeningen, een vordering op een derde, en onroerend goed in Nederland en China.
De man voert zes grieven aan tegen de beschikking van de rechtbank, waaronder de verdeling van bankrekeningen, de vordering op een Chinese zakenpartner, en de waarde en toedeling van onroerend goed. De vrouw voert incidenteel hoger beroep over de afgifte van inboedelgoederen.
Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven en onvoldoende geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over de vordering en de bezittingen in China. Het hof wijst de grieven van de man toe en bepaalt dat de bankrekeningen en vordering worden verdeeld, dat de woning en chalet in Nederland aan de man worden toegedeeld, en de woningen in China aan de vrouw. De waarde van de Chinese woningen wordt geschat op hetzelfde bedrag als de Nederlandse onroerende zaken, zonder verrekening. Het incidenteel hoger beroep van de vrouw wordt afgewezen.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor de aangevochten punten en het hof beslist uitvoerbaar bij voorraad. De kosten van het geding worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: Het hof wijst de grieven van de man toe en bepaalt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap met toedeling van de Chinese woningen aan de vrouw en de Nederlandse woning en chalet aan de man zonder verrekening van waarde over en weer.