Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in (het principaal) hoger beroep, verder te noemen: de moeder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep tegen de benoeming van een nieuwe bewindvoerder voor een verstandelijk beperkte rechthebbende. De kantonrechter had ambtshalve de broer van de rechthebbende ontslagen als bewindvoerder en [de bewindvoerder] B.V. benoemd zonder de voorkeur van de rechthebbende te kennen.
De moeder en mentor van de rechthebbende verzochten in hoger beroep om Stichting [G] als bewindvoerder te benoemen, waarbij zij haar eigen benoeming introk. De huidige bewindvoerder stemde in met de wijziging en toezegde een goede overdracht.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende had moeten volgen, zoals voorgeschreven in artikel 1:435 lid 3 BW Pro. Gezien het gebrek aan vertrouwen in de huidige bewindvoerder en de wens van de rechthebbende achtte het hof de benoeming van Stichting [G] passend.
Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking voor de periode tot 25 april 2019 en benoemde Stichting [G] met ingang van die datum tot nieuwe bewindvoerder. Tevens werd de beloning van Stichting [G] vastgesteld conform de geldende tarieven. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof benoemt Stichting [G] tot nieuwe bewindvoerder met ingang van 25 april 2019 en ontslaat de huidige bewindvoerder.