Belanghebbende betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een ventweg naast een drukke doorgaande weg, mede vanwege de waardedrukkende effecten van het bestemmingsplan [a-straat]. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €900.000, onderbouwd met een taxatiematrix met drie referentieobjecten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof oordeelt dat twee van de drie referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de waardedrukkende effecten van de ligging reeds in de transactiecijfers zijn verwerkt. Het hof wijst het argument van belanghebbende dat de planschadevergoeding een groter waardedrukkend effect impliceert af, omdat deze na de waardepeildatum is vastgesteld.
De verkoop van gesplitste percelen bevestigt de redelijkheid van de vastgestelde waarde. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.