ECLI:NL:GHARL:2019:3669

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 april 2019
Publicatiedatum
26 april 2019
Zaaknummer
21-000582-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvonnis wegens wederrechtelijk verkregen voordeel in drugstransportzaak

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 januari 2017. De rechtbank had vastgesteld dat veroordeelde een wederrechtelijk verkregen voordeel van €860.000,- had behaald en veroordeelde tot betaling aan de Staat verplicht. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank bevestigd en de gronden daarvan overgenomen.

De verdediging voerde onder meer aan dat de gegevens van Stena Line onbetrouwbaar waren en dat niet bij elke overtocht sprake was van het vervoeren van een oplegger met een rol staal gevuld met drugs. Het hof oordeelde dat de visuele controles van Stena Line weliswaar niet waterdicht zijn, maar dat dit niet leidt tot twijfel aan de juistheid van de gegevens. Ook achtte het hof de verklaring van de verdediging over het vervoeren van lege opleggers of andere goederen niet aannemelijk.

Verder constateerde het hof een schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro vanwege een termijnoverschrijding tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van het arrest. Deze overschrijding werd echter als gering beoordeeld en mede veroorzaakt door bijzondere omstandigheden. Het hof volstond met een constatering hiervan zonder gevolgen voor het vonnis.

Het hof heeft daarnaast enkele aanvullingen gegeven op voetnoten in het vonnis van de rechtbank met betrekking tot gebruikte bewijsmiddelen. Uiteindelijk heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd en veroordeelde veroordeelde tot betaling van het vastgestelde bedrag.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat veroordeelde €860.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat moet betalen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000582-17
Uitspraak d.d.: 24 april 2019
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 19 januari 2017 met parketnummer 16-706892-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[medeverdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [1965] ,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 en 13 maart 2019 en 10 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. L.E. Toet, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 19 januari 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van
€ 860.000,- en aan veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat vandatzelfde bedrag.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. Het hof zal de beslissing dan ook met overneming van die gronden bevestigen.
In aanvulling op het vonnis van de rechtbank overweegt het hof het volgende.
Betrouwbaarheidsverweer betreffende de gegevens van Stena Line
Door de verdediging is aangevoerd dat de gegevens van Stena Line onbetrouwbaar zouden zijn en daarom niet vaststaat dat bij iedere overtocht sprake was van een oplegger en -als daar al sprake van was- een rol staal gevuld met drugs. In aanvulling op de overwegingen die de rechtbank hieromtrent reeds heeft gemaakt, wordt door het hof nog het volgende overwogen.
Uit de in hoger beroep tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de heer [getuige] van Stena Line is gebleken dat Stena Line uitgaat van de gegevens die zij aangeleverd krijgen van de chauffeur of de opdrachtgever; dat de lengte en de lading niet daadwerkelijk gecontroleerd worden en dat slechts sprake was van een visuele controle, die niet waterdicht is. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat getwijfeld dient te worden aan de juistheid van de gegevens van Stena Line. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat bij een aantal transporten geen of een afwijkend trailernummer is genoteerd kennelijke verschrijvingen betreffen. Daar komt bij dat door de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt waarom alleen met een truck - zonder oplegger - op en neer zou zijn gereden en waar dan op dat moment de oplegger met de rol staal zou zijn gebleven. Bovendien duidt de verklaring van [getuige] erop dat bij de transporten waarbij geen trailernummer is genoteerd wel degelijk met oplegger gereden kan zijn.
Telkens verdovende middelen in de rol staal
Door de verdediging is voorts aangevoerd dat niet geconcludeerd kan worden dat bij iedere gestelde overtocht sprake is geweest van het vervoeren van verdovende middelen.
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank op dit punt merkt het hof op dat zo zonder meer niet valt in te zien waarom veroordeelde met de truck, de oplegger en steeds dezelfde rol staal zonder inhoud op een neer zou rijden van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Dat dit - in eerste instantie - zou zijn geschied in het kader van een BTW-caroussel, zoals door de verdediging is geopperd, is op geen enkele wijze onderbouwd en niet aannemelijk geworden.
Ter zitting in hoger beroep heeft de veroordeelde verklaard dat hij ook wel tafels en/of meubelen vervoerde. Ook deze verklaring is op geen enkele wijze onderbouwd, en bij de gegeven lading is dit niet vermeld. Het hof acht deze verklaring dan ook niet aannemelijk.
Overschrijding redelijke termijn
Het hof is van oordeel dat tussen het tijdstip waarop door veroordeelde hoger beroep is ingesteld, te weten 1 februari 2017, en het tijdstip van het wijzen van arrest, te weten 24 april 2019, een zodanig tijdsverloop zit, dat sprake is van een schending van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM), welke bepaling ertoe strekt de berechting binnen een redelijke termijn te waarborgen. Deze overschrijding is mede veroorzaakt door de bijzondere omstandigheid dat één van de hoofdverdachten in hoger beroep een nieuwe inhoudelijke verklaring heeft afgelegd, waarna de overige verdachten/veroordeelden in de gelegenheid zijn gesteld op deze verklaring te reageren. Daar komt bij dat het (slechts) gaat om een geringe overschrijding van de termijn. Gelet hierop zal het hof in het onderhavige geval volstaan met de enkele constatering van de schending van artikel 6, eerste lid, EVRM.
Verwijzingen in het vonnis van de rechtbank
Door de rechtbank is in de voetnoten verwezen naar de gebezigde bewijsmiddelen. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende:
  • in voetnoot 2 dient ook pagina 60 te worden aangehaald;
  • in voetnoten 16 en 17 dient ook pagina 3244 te worden aangehaald;
  • in voetnoot 18 dient ook pagina 3030 te worden aangehaald.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. J.P. Bordes, voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. I.P.H.M. Severeijns, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,
en op 24 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 april 2019.
Tegenwoordig:
mr. J.P. Bordes, voorzitter,
mr. A.C.L. van Holland, advocaat-generaal,
mr. S.H. Diepeveen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De veroordeelde is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.