Het geschil betreft het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over het kind te verkrijgen, terwijl de moeder dit betwist. Het kind is geboren uit een inmiddels verbroken relatie, erkend door de vader, en heeft te maken gehad met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De ouders wonen apart, de vader verblijft in het buitenland en de omgang is beperkt tot een weekend per maand.
De kinderrechter had eerder gezamenlijk gezag toegekend, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep. Het hof onderzocht of het gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, waarbij het uitgangspunt is dat gezamenlijk gezag wenselijk is tenzij er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt.
Uit het dossier en de zitting bleek dat de communicatie tussen ouders zeer problematisch is, met escalaties en strijd, waardoor afspraken over omgang en gezagsbeslissingen niet worden nagekomen. Daarnaast veroorzaakt de vader identiteitsproblemen door zonder instemming van de moeder de achternaam en roepnaam van het kind te willen wijzigen, wat het kind zichtbaar belast.
Het hof concludeert dat de situatie zodanig is dat gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico inhoudt voor het kind en dat verbetering binnen afzienbare tijd niet te verwachten is. Daarom vernietigt het hof de beschikking die gezamenlijk gezag toekent en wijst het het verzoek van de vader af, waarbij de moeder eenhoofdig gezag krijgt toegewezen.