ECLI:NL:GHARL:2019:3703

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2019
Publicatiedatum
29 april 2019
Zaaknummer
21-003518-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 378 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof veroordeelt verdachte tot gevangenisstraf voor twee winkeldiefstallen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 29 april 2019 in hoger beroep uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die was veroordeeld door de politierechter voor twee winkeldiefstallen gepleegd in januari 2017. Het hof vernietigde het eerdere vonnis vanwege formele tekortkomingen en deed in de plaats daarvan opnieuw recht.

De bewezenverklaring betreft twee afzonderlijke diefstallen van mixdrankjes, apfelkorn en vleeswaren uit een supermarkt. Het hof achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van de overgelegde bewijsmiddelen en sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. De verdachte werd strafbaar geacht omdat geen omstandigheden zijn gebleken die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn verblijf in Frankrijk na uitzetting uit Nederland en zijn eerdere veroordelingen voor winkeldiefstal en andere strafbare feiten. Vanwege de veelvuldige recidive en het uitblijven van effect van eerdere straffen, achtte het hof gevangenisstraf passend en legde een straf van drie weken op, met aftrek van de tijd in voorarrest. Dit oordeel werd niet gematigd door het hof, ondanks het verweer van de raadsman.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens twee bewezen winkeldiefstallen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003518-17
Uitspraak d.d.: 29 april 2019
Tegenspraak
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van
16 juni 2017 met het parketnummer 18-007858-17 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te Nederland.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 16 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. R.A.E. Bunge, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het vonnis niet voldoet aan de wettelijke eis dat de aantekening mondeling vonnis dient te worden aangetekend in het proces-verbaal van zitting, als bedoeld in artikel 378 van Pro het Wetboek van Strafvordering,
inclusiefverplicht voorgeschreven vermeldingen (strafbaarheid van het feit en strafbaarheid van de verdachte). Aldus leent dat vonnis zich niet voor bevestiging. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het gerechtshof onderworpen, ten laste gelegd dat:
1.
hij op 12 januari 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening mixdrankjes, apfelkorn en vleeswaren heeft weggenomen toebehorende aan supermarkt [winkelbedrijf] .
2.
hij op 11 januari 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening mixdrankjes heeft weggenomen toebehorende aan supermarkt [winkelbedrijf] .
Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 12 januari 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening mixdrankjes, apfelkorn en vleeswaren heeft weggenomen, toebehorende aan supermarkt [winkelbedrijf] .
2.
hij op 11 januari 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening mixdrankjes heeft weggenomen toebehorende aan supermarkt [winkelbedrijf] .
Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert telkens op:
diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat winkeldiefstallen zoals de verdachte die heeft gepleegd schade, overlast en ergernis veroorzaken voor het gedupeerde winkelbedrijf en de gedupeerde ondernemer hindert in de bedrijfsvoering. Ook de samenleving ondervindt schade van winkeldiefstallen doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen uiteindelijk door consumenten betaald worden;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich niets gelegen heeft laten liggen aan het eigendomsrecht van het desbetreffende winkelbedrijf.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
 het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 maart
2019, waaruit blijkt dat hij eerder meerdere keren is veroordeeld ter zake van winkeldiefstal, dat hij daarnaast is veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige strafbare feiten en dat die veroordelingen onherroepelijk zijn.
Die eerdere bestraffingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw winkeldiefstallen te plegen;
 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Verdachte woont inmiddels in Franrijk nadat hij Nederland is uitgezet.
Gelet op de veelvuldige recidive en het uitblijven van effect van eerder opgelegde straffen is het gerechtshof van oordeel dat geen andere straf dan gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Een andere strafsoort komt alles afgewogen niet meer in aanmerking.
Gelet op het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en generale en speciale preventie acht het gerechtshof de straf die de politierechter heeft opgelegd passend en geboden. Het gerechtshof zal daarom opleggen een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof strafmatiging aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. J. Dolfing, voorzitter,
mr. K. Lahuis en mr. K. Lindenberg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 29 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Lindenberg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.