Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van een ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen bij hun moeder. De moeder betwistte de verlenging van de maatregel en verzocht om een kortere duur, aansluitend op de procedure over omgang en gezag.
De ondertoezichtstelling was ingesteld vanwege zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, onder meer door huiselijk geweld en mogelijke hechtingsproblemen. De samenwerking met de moeder verliep aanvankelijk moeizaam, maar verbeterde in de loop van 2018. De hulpverlening, waaronder gezinsbegeleiding door het Leger des Heils, werd afgerond met een positieve beoordeling.
Het hof oordeelde dat de resterende zorgen niet van dien aard zijn dat een voortzetting van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De moeder erkent de hulpbehoefte en is bereid de ingezette therapieën voort te zetten binnen een vrijwillig kader. De omgang tussen de vader en de kinderen is gestagneerd, maar dit vormt geen ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen.
Het hof verlengt de ondertoezichtstelling slechts tot 15 mei 2019 om de afronding van de hulpverlening binnen het gedwongen kader mogelijk te maken en wijst verdere verlenging af. De beschikking van de rechtbank wordt deels bekrachtigd en deels vernietigd.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 15 mei 2019 en daarna beëindigd wegens afgenomen bedreigingen en verbeterde samenwerking.