Uitspraak
1.[appellant] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het verloop van de procedure in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De procedure in eerste aanleg
5.De bespreking van de grieven
6.De beslissing
11 juni 2019in het geding dient te brengen,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten sloten een huurovereenkomst voor een zelfstandige woning met verhuurder die ingeschreven bleef staan op het adres, wat leidde tot terugvordering van huurtoeslag door de Belastingdienst.
De kantonrechter wees de vordering van appellanten af omdat zij niet mochten verwachten dat verhuurder zich zou uitschrijven. In hoger beroep betwisten appellanten dat verhuurder dit voorbehoud kenbaar maakte bij aanvang huur.
Het hof oordeelt dat een verhuurder die ingeschreven blijft staan op het gehuurde adres een gebrek kan veroorzaken in de zin van artikel 7:204 BW Pro, wat het huurgenot beperkt. Omdat uit de huurovereenkomst en stukken niet blijkt dat verhuurder dit voorbehoud maakte, rust op hem de bewijslast.
Het hof laat verhuurder toe bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor, om aan te tonen dat hij voorafgaand aan de huurovereenkomst heeft meegedeeld dat hij ingeschreven zou blijven. De verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Hof laat verhuurder toe bewijs te leveren dat hij bij aanvang huur heeft aangegeven ingeschreven te blijven; verdere beslissing aangehouden.