Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de gecertificeerde instelling machtigde om haar minderjarige kind uit huis te plaatsen. De ondertoezichtstelling van het kind was reeds van kracht sinds 2014 en verlengd tot februari 2019. De moeder betwistte de uithuisplaatsing en verzocht om een deskundigenonderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv.
Het hof heeft het verzoek van de moeder afgewezen omdat ondanks het concrete verzoek de resterende duur van de uithuisplaatsing en de onduidelijke woon- en hulpverleningssituatie van de moeder geen aanleiding geven tot een andere beslissing. Het hof onderschrijft de eerdere motivering van de kinderrechter dat de moeder onvoldoende in staat is gebleken om de opvoedingssituatie te verbeteren, ondanks intensieve hulpverlening.
Het gedrag van de minderjarige vraagt om een consequente en duidelijke opvoeding, die de moeder niet adequaat kan bieden. De minderjarige verblijft sinds de uithuisplaatsing bij zijn grootouders aan vaderszijde, waar hij eerder ook vrijwillig verbleef. De moeder heeft recent een eigen woning gekregen en er is sprake van een nieuwe situatie met nog niet volledig geregelde hulpverlening.
Het hof oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en dat de uithuisplaatsing niet in strijd is met het EVRM of IVRK. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het beroep van de moeder wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek tot deskundigenonderzoek af.