ECLI:NL:GHARL:2019:4433

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
23 mei 2019
Zaaknummer
200.248.541
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWArt. 332 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Appellanten niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens appelgrens bij verklaring voor recht

In eerste aanleg vorderden appellanten een verklaring voor recht dat Achmea gehouden is tot vergoeding van redelijke kosten voor rechtsbijstand, met matiging tot het bedrag van het Convenant Regeling Administratiekosten (€ 78,68). De kantonrechter wees deze vordering af. Appellanten gingen in hoger beroep, maar het hof oordeelde dat de vordering een vordering van onbepaalde waarde is die geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-, de appelgrens.

Het hof benadrukte dat het feit dat de werkelijke kosten mogelijk hoger zijn en dat de rechtsvraag ook voor andere zaken relevant kan zijn, niet relevant is voor de ontvankelijkheid in hoger beroep. Omdat het gevorderde bedrag per eiser onder de appelgrens ligt, kan tegen het vonnis niet in hoger beroep worden gekomen.

Daarom verklaarde het hof appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hen in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 726,- griffierecht en € 379,50 advocaatkosten. Het arrest werd op 21 mei 2019 uitgesproken.

Uitkomst: Appellanten zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens het niet overschrijden van de appelgrens.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.248.541
(zaaknummer rechtbank Gelderland 6433821)
arrest van 21 mei 2019
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] .
3.
[appellant 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
in eerste aanleg: eisers,
advocaat: mr. J.L.A de Waard,
tegen:
de naamloze vennootschap
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: Achmea,
advocaat: mr. A.J. Schoonen.
Appellante sub 1 zal hierna [appellant 1] , appellante sub 2 [appellant 2] , appellant sub 3 [appellant 3] en appellanten gezamenlijk zullen [appellanten] worden genoemd.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 9 mei 2018√ dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 27 juli 2018,
- de memorie van grieven (met producties),
- de memorie van antwoord (met één productie).
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
In eerste aanleg hebben [appellanten] een verklaring voor recht gevorderd dat Achmea is gehouden om de redelijke kosten voor rechtsbijstand zijdens haar te vergoeden op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW Pro, met matiging van de werkelijke kosten tot het bedrag zoals bepaald in het Convenant Regeling Administratiekosten -op dat moment
€ 78,68- dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 9 mei 2018 de vordering afgewezen.
3.2
Nu [appellanten] tegen dat vonnis in hoger beroep zijn gekomen, is de eerste vraag of zij in dat hoger beroep kunnen worden ontvangen. Dat is niet het geval. De vordering die [appellanten] hebben ingesteld tot een verklaring voor recht, is een vordering van onbepaalde waarde ten aanzien waarvan duidelijke aanwijzingen bestaan dat die vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-. Gevorderd wordt immers te verklaren voor recht dat Achmea gehouden is tot vergoeding van de redelijke kosten van rechtsbijstand met matiging van de werkelijke kosten tot het bedrag zoals bepaald in het Convenant Regeling Administratiekosten, zijnde € 78,68 per eiser. Daarover had de kantonrechter te beslissen. Dat de werkelijke kosten mogelijk hoger zijn geweest en er mogelijk een groter onderliggend belang bestaat omdat de rechtsvraag die in deze zaak voorligt ook voor andere zaken van belang kan zijn, is, anders dan [appellanten] stellen, voor de ontvankelijkheidsvraag niet relevant. Omdat het bedrag van telkens € 78,68 beneden de appelgrens ligt, kan tegen het vonnis op grond van artikel 332 lid 1 Rv Pro niet in hoger beroep worden gekomen. [appellanten] kunnen daarom niet in hun hoger beroep worden ontvangen.
3.3
Het hof zal [appellanten] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op
€ 726,- voor griffierecht en op € 379,50 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (0,5 punt x tarief I).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 9 mei 2018,
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en op € 379,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,
verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, F.J.P. Lock en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.