Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,
[appellant 3] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In eerste aanleg vorderden appellanten een verklaring voor recht dat Achmea gehouden is tot vergoeding van redelijke kosten voor rechtsbijstand, met matiging tot het bedrag van het Convenant Regeling Administratiekosten (€ 78,68). De kantonrechter wees deze vordering af. Appellanten gingen in hoger beroep, maar het hof oordeelde dat de vordering een vordering van onbepaalde waarde is die geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-, de appelgrens.
Het hof benadrukte dat het feit dat de werkelijke kosten mogelijk hoger zijn en dat de rechtsvraag ook voor andere zaken relevant kan zijn, niet relevant is voor de ontvankelijkheid in hoger beroep. Omdat het gevorderde bedrag per eiser onder de appelgrens ligt, kan tegen het vonnis niet in hoger beroep worden gekomen.
Daarom verklaarde het hof appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hen in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 726,- griffierecht en € 379,50 advocaatkosten. Het arrest werd op 21 mei 2019 uitgesproken.
Uitkomst: Appellanten zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens het niet overschrijden van de appelgrens.