Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
Italini,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant exploiteerde een ijssalon en had een leaseovereenkomst voor een schepijsvitrine via een financieringsmaatschappij. Geïntimeerde leverde zowel de vitrine als schepijs aan appellant. Nadat appellant stopte met de verkoop van schepijs, haalde geïntimeerde volgens appellant de vitrine op, waarna appellant schadevergoeding vorderde. Geïntimeerde stelde een tegenvordering in wegens onbetaald ijs.
In eerste aanleg wees de kantonrechter de vordering van appellant af en kende de vordering van geïntimeerde deels toe. Appellant ging in hoger beroep, maar werd failliet verklaard. De curator nam de vordering van appellant niet over, waarna geïntimeerde ontslag van de instantie verzocht voor die vordering. De procedure over de tegenvordering bleef geschorst.
Het hof oordeelde dat er geen noodzaak was om de procedures te verbinden en dat het belang van geïntimeerde bij beëindiging van de procedure zwaarder woog dan dat van appellant. Daarom werd ontslag van de instantie verleend voor de vordering van appellant en werd de procedure doorgehaald.
Uitkomst: Het hof verleent ontslag van de instantie voor de vordering van appellant en haalt de procedure door.