ECLI:NL:GHARL:2019:4631

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 mei 2019
Publicatiedatum
29 mei 2019
Zaaknummer
21-002968-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte medeplegen diefstal wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een geldboete voor feit 1 en vrijgesproken van feit 2. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op feit 2, omdat de wet hoger beroep tegen die vrijspraak niet toestaat.

Het hof vernietigde het vonnis voor zover het betrekking had op feit 1 en deed opnieuw recht. Uit het dossier bleek dat op 20 augustus 2015 een bedrag van €350 van de bankrekening van het slachtoffer was gehaald via een pinautomaat met een gestolen pinpas en de geheime pincode. Echter was onduidelijk of sprake was van diefstal en welke rol verdachte daarin had gespeeld. De verklaringen van betrokkenen waren tegenstrijdig en inconsistent.

Daarom achtte het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van diefstal. Het hof sprak verdachte vrij van dit feit en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het andere ten laste gelegde feit. De uitspraak werd op 29 mei 2019 te Leeuwarden gedaan.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen diefstal wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002968-16
Uitspraak d.d.: 29 mei 2019
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 mei 2016 met parketnummer 16-044936-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 7 februari 2019, 16 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake feit 1 tot een geldboete van € 700,-- subsidiair 14 dagen hechtenis, waarvan € 350,-- voorwaardelijk subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. A.W. Syrier, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het gehele vonnis van de rechtbank, dus ook tegen de vrijspraak van feit 2. Tegen deze vrijspraak kan volgens de wet door de verdachte geen hoger beroep worden ingesteld. Daarom zal het hof het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaren voor zover het betrekking heeft op feit 2.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van feit 2 en veroordeeld ter zake feit 1 tot een geldboete van € 700,-- subsidiair 14 dagen hechtenis, waarvan € 350,-- voorwaardelijk subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 350 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door een gestolen pinpas (op naam van [slachtoffer] ) in een betaalautomaat, gelegen aan [locatie] te [plaats] , in te voeren en vervolgens de aan de rechtmatige houder van die pinpas opgegeven (geheime) pincode in te toetsen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Uit het dossier blijkt weliswaar duidelijk dat er op 20 augustus 2015 een bedrag van € 350,-- van de bankrekening van [slachtoffer] is gehaald via een pinautomaat, maar het is onduidelijk of er sprake is van diefstal en/of wie welke rol daarbij heeft gespeeld. De verklaringen van de verschillende mogelijke betrokkenen zijn op belangrijke onderdelen onderling tegenstrijdig. Daarnaast zijn de verklaringen niet consistent. Een en ander maakt dat onvoldoende duidelijk is of verdachte een strafbare bijdrage aan het verweten feit heeft geleverd. Daarom spreekt het hof verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. L.J. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 29 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.