ECLI:NL:GHARL:2019:4662

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2019
Publicatiedatum
3 juni 2019
Zaaknummer
21-004415-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep na verschoonbare termijnoverschrijding wegens aanhouding

Verdachte stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de politierechter, maar deed dit na het verstrijken van de wettelijke termijn van veertien dagen. De advocaat-generaal vorderde niet-ontvankelijkverklaring wegens te late indiening. Verdachte voerde aan dat hij op de dag van afloop van de termijn onderweg was naar de griffie om het hoger beroep in te dienen, maar werd kort daarvoor aangehouden door de politie.

Het hof onderzocht de omstandigheden en nam kennis van het proces-verbaal van aanhouding. Hieruit bleek dat verdachte op 9 augustus 2017 om 16:23 uur werd aangehouden op ongeveer 350 meter van de rechtbank te Leeuwarden, en dat de griffie tot 17:00 uur geopend was. Het hof achtte het mogelijk dat verdachte voornemens was het hoger beroep tijdig in te dienen, maar door de aanhouding werd verhinderd.

Gelet op de harde termijnen in het Wetboek van Strafvordering, oordeelde het hof dat de termijnoverschrijding niet aan verdachte kon worden toegerekend en derhalve verschoonbaar was. Daarom verklaarde het hof verdachte ontvankelijk in het hoger beroep, heropende het onderzoek en bepaalde dat de zaak inhoudelijk zal worden behandeld op een nader te bepalen datum.

Uitkomst: Verdachte wordt ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens verschoonbare termijnoverschrijding door aanhouding vlak voor griffiesluiting.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004415-17
Uitspraak d.d.: 15 mei 2019
TEGENSPRAAK
Tussenarrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 juli 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-066527-17 en 18-077436-17, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-115274-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 maart 2019 en 1 mei 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep, nu hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 26 juli 2017 te verschijnen voor de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De dagvaardingen voor deze terechtzitting, inclusief de dagvaarding voor de vorderingen tot tenuitvoerlegging, zijn in persoon uitgereikt op respectievelijk 8 en 26 april 2017. De raadsman van verdachte heeft op 10 augustus 2017 per fax hoger beroep ingesteld, waarvan de akte op 11 augustus 2017 is opgemaakt.
Uit het voorgaande volgt dat verdachte op de hoogte was van de datum van de terechtzitting van de politierechter. Gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering had verdachte na de uitspraak van de politierechter derhalve een termijn van veertien dagen om hoger beroep in te stellen. De laatste dag van de termijn was 9 augustus 2017. Het hoger beroep is echter pas na het verstrijken van die termijn ingesteld.
Namens verdachte is in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verdachte was op 9 augustus 2017 onderweg naar de griffie van de rechtbank om hoger beroep in te stellen toen hij werd aangehouden door de politie. Verdachte heeft door die aanhouding niet tijdig hoger beroep kunnen instellen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verdachte kan worden toegerekend. Verdachte had destijds bij zijn aanhouding moeten aangeven dat hij hoger beroep wilde instellen.
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Dit zijn harde termijnen waarvan in beginsel niet wordt afgeweken, tenzij sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van aanhouding waaruit blijkt dat verdachte op 9 augustus 2017 om 16.23 op ongeveer 350 meter afstand van de rechtbank is aangehouden. Verdachte is daarop meegenomen naar het arrestantencomplex Leeuwarden, alwaar hij om 16:45 uur aankwam. De griffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is geopend tot 17:00 uur. Verdachte bevond zich aldus vlak voor sluiting van de griffie in de nabijheid van de rechtbank te Leeuwarden. Alhoewel dit niet met zekerheid is te zeggen, acht het hof het mogelijk dat verdachte voornemens was hoger beroep in te stellen, doch dat hij vlak daarvoor werd aangehouden. Het hof komt gelet op het voorgaande dan ook tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verdachte niet kan worden toegerekend en derhalve verschoonbaar is.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt verdachte ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep en wordt het onderzoek heropend zodat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte ontvankelijk in het hoger beroep.
Heropent het onderzoek.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Rietveld, voorzitter,
mr. L.J. Hofstra en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 15 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.J. Rietveld is buiten staat dit tussenarrest mede te ondertekenen.