ECLI:NL:GHARL:2019:4854

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juni 2019
Publicatiedatum
7 juni 2019
Zaaknummer
WAHV 200.206.921
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing dwangsombesluit na intrekking door officier van justitie

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen de beslissing van de kantonrechter Limburg die het beroep van betrokkene tegen het intrekken van een dwangsombesluit ongegrond verklaarde. Betrokkene had beroep ingesteld tegen een inleidende beschikking en na een verlenging van de beslistermijn werd het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens werd een dwangsom toegekend wegens overschrijding van de beslistermijn, maar deze werd een dag later door de officier van justitie ingetrokken vanwege een evidente vergissing.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de intrekking onterecht was en dat de kantonrechter ten onrechte niet had beoordeeld of het beroep kennelijk ongegrond was verklaard. Ook werd gesteld dat de intrekking een benadeling van €120,- betekende en dat er onterecht geen immateriële schadevergoeding werd toegekend.

Het hof stelde vast dat de beslissing van de officier van justitie om het beroep kennelijk ongegrond te verklaren onherroepelijk was geworden omdat er geen beroep tegen was ingesteld. Op grond hiervan hoefde de kantonrechter niet te toetsen of die beslissing juist was. De bevoegdheid van de officier van justitie om het dwangsombesluit in te trekken werd bevestigd, mits binnen de grenzen van de beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof oordeelde dat door de intrekking geen beginselen van behoorlijk bestuur waren geschonden en dat de intrekking redelijk was.

Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg en hoger beroep was overschreden, waardoor artikel 6 EVRM Pro was geschonden. Gezien de geringe hoogte van de dwangsom werd volstaan met deze vaststelling zonder verdere sancties. Het hof bevestigde daarom het oordeel van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de afwijzing van het beroep tegen het intrekken van de dwangsom en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

WAHV 200.206.921
7 juni 2019
CJIB 168496606
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 8 december 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 28 januari 2019 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De griffier van de rechtbank heeft het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter aan de griffier van het hof toegestuurd. Een afschrift daarvan is aan partijen toegezonden.

Beoordeling

1. Nu door de griffier van de rechtbank alsnog het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is toegestuurd, faalt de klacht van de gemachtigde van de betrokkene hierover.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert tegen de beslissing van de kantonrechter aan dat het verzoek om een dwangsom ten onrechte is afgewezen. Zoals de kantonrechter de zaak heeft beoordeeld kan een bestuursorgaan in elke situatie waarin het beroep kennelijk ongegrond is verklaard het verzoek om een dwangsom afwijzen omdat dan op grond van artikel 4:17, zesde lid onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen dwangsom verschuldigd is. De gemachtigde verwijst naar een arrest van het hof 's-Hertogenbosch
(nr. 13/00056). De kantonrechter is er in het geheel niet op ingegaan dat het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. Daarnaast valt niet in te zien hoe de kantonrechter heeft kunnen overwegen dat de intrekking van het besluit niet tot een benadeling heeft geleid. Eerst was een dwangsom toegekend van € 120,-. Intrekking van dat besluit betekent een benadeling van € 120,-. De verbazing was groot toen vier dagen later de brief kwam waaruit bleek dat de toekenning was ingetrokken. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte niet op het verzoek om immateriële schadevergoeding is ingegaan.
3. Uit het dossier blijkt het volgende:
- Op 28 januari 2013 is aan de betrokkene een inleidende beschikking toegestuurd.
- Op 7 februari 2013 heeft de gemachtigde namens de betrokkene beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking.
- Per brief van 31 juli 2013 heeft de officier van justitie de beslistermijn verlengd.
- Op 15 oktober 2013 heeft de gemachtigde een ingebrekestelling gestuurd wegens het uitblijven van een beslissing en verzocht om binnen veertien dagen te beslissen.
- Op 25 oktober 2013 heeft de officier van justitie het beroep (kennelijk) ongegrond verklaard.
- Per besluit van 5 december 2013 is aan de betrokkene een dwangsom van € 120,- toegekend wegens de overschrijding van de beslistermijn.
- Per besluit van 6 december 2013 is het besluit van 5 december 2013 ingetrokken. Er is sprake van een evidente vergissing omdat het beroep kennelijk ongegrond is verklaard en er is daarom geen dwangsom verschuldigd.
- Op 18 december 2013 heeft de gemachtigde bezwaar aangetekend tegen het gewijzigde dwangsombesluit.
- De officier van justitie heeft op 13 maart 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.
- Op 1 april 2014 heeft de gemachtigde beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
- De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het beroep tegen de inleidende beschikking. Die beslissing is dan ook onherroepelijk geworden en het hof gaat daarom uit van de juistheid hiervan. Omdat er sprake was van een onherroepelijke beslissing, hoefde de kantonrechter niet te beoordelen of het beroep op de juiste gronden kennelijk ongegrond was verklaard. Op grond van artikel 4:17, zesde lid onder c, van de Awb kon de officier van justitie het verzoek om een dwangsom afwijzen.
5. Het hof stelt voorop dat de officier van justitie bevoegd is tot het intrekken of wijzigen van het dwangsombesluit. Deze bevoegdheid volgt uit de bevoegdheid tot het toekennen van een dwangsom en wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Nu de officier van justitie een dag na het toekennen van de dwangsom dit besluit heeft ingetrokken, is het hof van oordeel dat bij de betrokkene of haar gemachtigde niet zodanige verwachtingen zijn gewekt dat er beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden door de intrekking. Evenmin kan worden geoordeeld dat de officier van justitie niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het intrekken van het besluit van 5 december 2013 gebruik heeft mogen maken.
6. Ten aanzien van de verwijzing naar het arrest van het hof 's-Hertogenbosch merkt het hof op dat de onderhavige zaak verschilt met de daar beoordeelde zaak. In de onderhavige zaak was de gemachtigde al voor het verstrijken van de beslistermijn in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep in te stellen, en niet pas daarna.
7. Met betrekking tot het verzoek tot het vergoeden van geleden immateriële schade in verband met de tijdsverloop heeft het hof in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.
8. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden, zodat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt met die vaststelling volstaan.
9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Daarom zal het hof die beslissing bevestigen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.