ECLI:NL:GHARL:2019:5231

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2019
Publicatiedatum
25 juni 2019
Zaaknummer
200.257.273
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bevestigd door hof

De moeder van de minderjarige is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kinderrechter die toestond dat haar kind langer bij het pleeggezin blijft wonen. De moeder stelt dat zij inmiddels voldoende stabiel is en de zorg voor haar kind aankan, mede door haar deelname aan een Ouder-Kind Behandelgroep (OKB).

De gecertificeerde instelling (GI) stelt echter dat de moeder onvoldoende in staat is om een veilige en stabiele opvoeding te bieden, mede vanwege haar problematische jeugd, financiële problemen en wisselende relaties met huiselijk geweld. De GI wijst op de zorgen die tijdens de OKB naar voren kwamen, zoals het onvermogen van de moeder om signalen van de minderjarige goed te interpreteren en adequaat te reageren.

Het hof oordeelt dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat het noodzakelijk is dat zij in het pleeggezin blijft wonen waar zij zich veilig en goed kan ontwikkelen. De hechting aan de pleegouders is inmiddels veilig en het contact met de moeder veroorzaakt spanning bij de minderjarige. Daarom bekrachtigt het hof de beslissing van de kinderrechter om de uithuisplaatsing te verlengen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij het pleeggezin tot 11 januari 2020.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.257.273
(zaaknummer rechtbank Overijssel 225499)
beschikking van 25 juni 2019
inzake
[verzoekster],
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.I. Dierkx te Rotterdam, opvolgend advocaat van Mr. N.S. van der Vliet
en
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Enschede,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders,
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de pleegouders.

1.De procedure bij de rechtbank

In de beschikking van de kinderrechter, rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van
2 januari 2019 staat wat er in de procedure bij de rechtbank is gebeurd.
De kinderrechter heeft in die beschikking toestemming gegeven om [de minderjarige] langer bij het pleeggezin te laten wonen, tot 11 januari 2020.

2.De procedure bij het hof

2.1
In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 29 maart 2019;
- het verweerschrift van de GI met bijlagen;
- een journaalbericht van mr. Van der Vliet van 20 mei 2019 met bijlagen 5 en 6.
2.2
De zitting was op 28 mei 2019. Hierbij was de moeder aanwezig met haar advocaat. Namens de GI was [B] aanwezig. Verder was [C] (de pleegvader) aanwezig en heeft het hof aan [D] , de partner van de moeder, toestemming gegeven om bij de zitting te zijn. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) was, ook al is deze j goed opgeroepen, niemand aanwezig.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft een relatie gehad met [E] (verder: de vader). Zij zijn de ouders van [de minderjarige] (verder: [de minderjarige] ) die [in] 2018 is geboren in [F] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is alleen belast met het gezag over haar.
3.2
Op 11 januari 2018 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot 11 januari 2019.
3.3
Op 1 maart 2018 heeft de kinderrechter de GI toestemming gegeven om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin met ingang van 1 maart 2018 tot 11 januari 2019.
3.4
Op 2 januari 2019 heeft de rechtbank de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering vervangen door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
3.5
Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 2 januari 2019 heeft de kinderrechter beslist dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] langer duurt, tot 11 januari 2020 en beslist dat [de minderjarige] langer bij het pleeggezin blijft wonen, tot 11 januari 2020.
3.6
[de minderjarige] woont sinds 15 maart 2018 in het pleeggezin.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is het niet eens met die beslissing van 2 januari 2019. Zij heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing om [de minderjarige] langer bij de pleegouders te laten wonen. De moeder vraagt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en opnieuw een beslissing te nemen waarbij het verzoek van de GI om [de minderjarige] langer uit huis te plaatsen wordt afgewezen.
4.2
De GI is het niet eens met de moeder en vraagt het hof de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, of om haar beroep af te wijzen en de beschikking van 2 januari 2019 te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
In artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek staat het volgende:
"Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen”.
Dit betekent dat de GI aan de kinderrechter kan vragen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan dit alleen toewijzen als dit voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk is. Ook kan de kinderrechter zo’n verzoek toewijzen als dit nodig is voor onderzoek naar hoe het geestelijk of lichamelijk met [de minderjarige] gaat.
5.2
In artikel 1:265c lid 2 BW staat dat de kinderrechter "op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen".
Dit betekent dat de GI aan de kinderrechter kan vragen om [de minderjarige] maximaal een jaar langer bij de pleegouders te laten wonen.
5.3
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter om [de minderjarige] langer bij de pleegouders te laten wonen. Volgens de moeder heeft zij voor het grootste deel de doelen die de GI heeft gesteld gehaald en is alleen een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] genoeg.
De moeder heeft zich volgens haar de afgelopen tijd goed ontwikkeld. Zij werkt mee aan hulpverlening en heeft meegewerkt aan opname in een moeder-kind huis. De moeder vindt dat zij [de minderjarige] nu een stabiele opvoedsituatie kan bieden. De moeder kan leren en groeit elke dag in haar ouderschap. Zij is afspraken nagekomen en zij gebruikt geen drugs meer. Zij heeft steun van een vast en stabiel netwerk, zij heeft een eigen inkomen en de relatie tussen haar en de vader is geëindigd. Ook heeft de moeder een eigen woning die netjes is.
De moeder vindt dat te snel is beslist dat zij niet goed voor [de minderjarige] kan zorgen. Zij heeft niet genoeg kansen gehad en niet lang genoeg de tijd gekregen om zich te bewijzen. De moeder vindt dat haar pedagogische kwaliteiten niet goed zijn onderzocht.
Volgens de moeder is niet duidelijk waarom [de minderjarige] niet bij haar kan wonen en heeft de GI haar te weinig hulp en zorg gegeven om [de minderjarige] zelf te kunnen opvoeden. Volgens de moeder is nog niet alle passende hulpverlening ingezet.
De uithuisplaatsing is volgens de moeder niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] moet zich zo snel mogelijk kunnen gaan hechten aan de moeder. Als [de minderjarige] weer bij de moeder mag wonen kan zij terecht bij een Ouder-Kind Behandelgroep (OKB) van [G] .
Met goede hulp vindt de moeder dat zij zelf voor [de minderjarige] kan zorgen.
De zorgen die er zijn kunnen volgens de moeder door plaatsing van de moeder en [de minderjarige] op de OKB van [G] en met goede hulp en de ondertoezichtstelling in de gaten worden gehouden en worden weggenomen.
5.4
De GI heeft uitgebreid op papier gezet waarom zij het niet eens is met de moeder.
De moeder heeft volgens de GI een moeilijke jeugd gehad en zich niet veilig kunnen hechten. Zij heeft geen juist voorbeeld gehad hoe het opvoeden van kinderen moet. Dit is een risico als je zelf een kind krijgt. Er speelt persoonlijke problematiek uit de jeugd van de moeder. De moeder heeft verder problemen op het gebied van haar financiën. Ook heeft zij wisselende relaties, waarbij soms huiselijk geweld plaatsvindt. In het verleden heeft de moeder drugs gebruikt. Alles opgeteld is de moeder volgens de GI onvoldoende in staat om [de minderjarige] een veilige en stabiele opvoeding te geven, met voldoende duidelijkheid, structuur, voorspelbaarheid, zorg en aandacht. Via een moeder-kind opname bij [G] heeft de moeder de kans gekregen te laten zien dat zij wel in staat is [de minderjarige] goed op te voeden. Dit is niet gelukt. Zij had weerstand tegen de begeleiding, hield zich niet aan afspraken en reageerde vaak niet goed op de signalen die [de minderjarige] gaf. Het is volgens de GI zeer de vraag of de moeder leerbaar is. Zij kan moeilijk veranderen en profiteren van de hulpverlening. Nu het bij het pleeggezin goed met [de minderjarige] gaat en zij daar al lange tijd woont is het beter voor [de minderjarige] dat daar geen verandering in komt.
5.5
Uit het onderzoek dat de raad heeft gedaan voordat [de minderjarige] werd geboren blijkt dat er toen al veel zorgen waren over het veilig opgroeien van de toen nog ongeboren [de minderjarige] . De zorgen hadden vooral te maken met de veilige basis die de moeder zelf heeft gemist in haar jeugd. De moeder had er last van dat zij zelf geen stabiele jeugd heeft gehad. Volgens de raad waren er omstandigheden die het risico op kindermishandeling en -verwaarlozing groter maakten. De raad maakte zich grote zorgen over de opvoeding en het veilig opgroeien van de toen nog niet geboren [de minderjarige] en het opbouwen van een veilige hechting tussen [de minderjarige] en de ouders.
5.6
Het hof vindt dat de kinderrechter een juiste beslissing heeft genomen en dat het voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] in haar belang noodzakelijk is om haar langer in het pleeggezin te laten wonen. [de minderjarige] kan zich in die omgeving goed ontwikkelen, omdat zij daar goed wordt opgevoed en zich daar veilig voelt.
5.7
De moeder is op 13 november 2018 naar een Ouder-Kind Behandelgroep (verder: OKB) bij [G] gegaan. Zij heeft toen meer omgang gekregen met [de minderjarige] . De omgang was eerst anderhalf uur per week en is na een tijdje uitgebreid naar drie hele dagen per week (maandag, dinsdag en woensdag).
Er kwamen toen grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] naar voren. [de minderjarige] werd bij de pleegouders erg onrustig, zij sliep slecht, huilde veel en wilde heel veel heel dicht bij de pleegmoeder zijn. Er is toen besloten om dit voor een korte tijd aan te kijken en te beoordelen of de moeder kon zien wat [de minderjarige] nodig had en of zij dit ook aan [de minderjarige] kon geven.
Sommige dingen gingen niet zo goed. De OKB had zorgen over het slaapritme en het dagritme van de moeder. De eetmomenten met [de minderjarige] gingen ook niet zo goed. [de minderjarige] dronk haar flesjes niet leeg en zij wilde ook niet genoeg warm eten.
Verder had de OKB ook zorgen over de emoties van de moeder, haar belastbaarheid en draagkracht en haar financiën. Volgens de OKB zijn de emoties en de gedachten van de moeder voor haar erg belangrijk. Daardoor snapt en ziet de moeder niet altijd goed wat [de minderjarige] nodig heeft. De moeder begreep de signalen van [de minderjarige] niet en reageerde daar niet goed op. Daardoor voelde [de minderjarige] zich niet begrepen. Ook de verzorging door de moeder was niet altijd even goed.
5.8
[de minderjarige] hecht zich in het pleeggezin. Doordat zij veel bij de moeder op de OKB was werd die hechting moeilijker. [de minderjarige] was heel erg gespannen op de dagen dat zij weer bij de pleegouders was. Na een tijdje werd zij dan weer ontspannen. Maar de spanning kwam weer terug na omgang met de moeder. Door de uitbreiding van de omgangsregeling werd de spanning bij [de minderjarige] steeds groter. Zij moest ontroostbaar huilen als zij niet bij de pleegmoeder op de arm was en ook 's nachts was [de minderjarige] veel huilend wakker. Ook is [de minderjarige] in die periode afgevallen.
De omgang met de moeder veroorzaakte zoveel spanning bij [de minderjarige] dat er grote zorgen waren over het ontwikkelen van een "angstig gepreoccupeerde gehechtheid".
[de minderjarige] is (beginnend) veilig gehecht aan de pleegouders. Het doorbreken van die hechting is schadelijk voor [de minderjarige] . Voor [de minderjarige] kan het contact met de moeder niet veilig voelen als zij zich gespannen voelt.
5.9
[G] , [H] en de GI zijn het erover eens dat de ontwikkeling van [de minderjarige] in de tijd bij de OKB niet goed was voor [de minderjarige] . Daarom is besloten die omgang te stoppen.
De moeder heeft haar best gedaan en zij heeft goede stappen gezet voor zichzelf, maar dat is niet genoeg voor de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] .
Het is belangrijk dat [de minderjarige] zich veilig kan hechten. Daardoor kan zij voldoende basisveiligheid en basisvertrouwen krijgen. In het pleeggezin is dat mogelijk.

6.De slotsom

Het hof zal de beschikking van de kinderrechter daarom bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 2 januari 2019, voor zover de uithuisplaatsing betreft.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, R. Krijger en G. van de Beek, getekend door Mr. R. Krijger, en is op 25 juni 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.