ECLI:NL:GHARL:2019:5397

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2019
Publicatiedatum
1 juli 2019
Zaaknummer
WAHV 200.226.587
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 WvSrArt. 57 WvSrArt. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor twee afzonderlijke snelheidsovertredingen binnen korte tijd

De betrokkene kreeg twee administratieve sancties opgelegd voor snelheidsovertredingen op 4 oktober 2016 op de Veluwedreef te Almere. De overtredingen vonden plaats binnen een tijdsbestek van 38 seconden op verschillende kruispunten.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat het ging om een voortgezette handeling, waardoor slechts één sanctie zou mogen worden opgelegd. Het hof oordeelde dat de gedragingen afzonderlijk zijn en dat de betrokkene voldoende gelegenheid had om zijn snelheid aan te passen tussen de overtredingen.

Het beroep op artikel 56 en Pro 57 van het Wetboek van Strafrecht werd verworpen omdat deze niet van toepassing zijn op de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het hof zag geen bijzondere omstandigheden die matiging of achterwege laten van sancties rechtvaardigen.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene ongegrond verklaarde.

Uitkomst: De opgelegde sanctie voor twee afzonderlijke snelheidsovertredingen wordt bevestigd.

Uitspraak

WAHV 200.226.587
1 juli 2019
CJIB 201982839
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 18 september 2017
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 93,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 oktober 2016 om 13:19 uur op de Veluwedreef te Almere met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist niet dat de gedraging is verricht, maar stelt dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. De betrokkene heeft twee beschikkingen gekregen voor snelheidsovertredingen die op 4 oktober 2016 vlak na elkaar zijn begaan op de Veluwedreef. De gemachtigde betoogt dat sprake is van een doorlopende of voortgezette handeling, waarvoor niet tweemaal een sanctie kan worden opgelegd.
3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
4. In het beroepschrift is door de gemachtigde aangevoerd dat hij een beroep doet op artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Deze bepaling is in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Voor analoge toepassing is ook geen ruimte nu dit artikellid betrekking heeft op de strafoplegging bij misdrijven.
5. Het hof begrijpt uit de door de gemachtigde gekozen bewoordingen dat hij een beroep doet op artikel 56, eerste lid, van het WvSr. Daarin is bepaald dat indien meerdere feiten, die elk op zichzelf een misdrijf of overtreding opleveren, in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, slechts één strafbepaling wordt toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Deze bepaling is in de Wahv evenmin van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Dit neemt niet weg dat indien zich een situatie voordoet die als voortgezette handeling in de zin van bedoeld artikellid kan worden aangemerkt, daarin - op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv - grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een of meer gedraging(en) heeft/hebben plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat oplegging van een sanctie voor die gedraging(en) niet billijk is.
6. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. Het hof stelt daartoe voorop dat het verweer van de betrokkene, dat de onderhavige gedraging en de gedraging in de zaak met WAHV-nummer 200.226.596 (waarin het hof heden eveneens uitspraak doet) als één snelheidsovertreding moeten worden aangemerkt, niet kan slagen. De eerste overschrijding van de maximum snelheid is geconstateerd om 13:19:00.784 uur op de Veluwedreef - Kruising met Isadora Duncanweg. De tweede overtreding van de maximum snelheid is geconstateerd om 13:19:39.262 op de Veluwedreef - Kruising met Hagevoortsdreef. Het betreft hier twee afzonderlijke gedragingen, die op verschillende tijdstippen en plaatsen zijn verricht. Dat er niet meer dan ruim 38 seconden tussen de gedragingen zitten maakt de gedragingen niet minder sanctiewaardig. De betrokkene heeft tussen de twee snelheidsmetingen voldoende gelegenheid gehad om zijn snelheid aan te passen aan de geldende maximumsnelheid.
7. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor het achterwege laten of matigen van de aan de betrokkene opgelegde sanctie. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.