ECLI:NL:GHARL:2019:5610

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 juli 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
200.252.227/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:435 lid 3 BWArt. 1:448 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot benoeming opvolgend bewindvoerder wegens ontbreken gewichtige redenen

De betrokkene heeft bij de kantonrechter verzocht om ontslag van haar huidige bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna de betrokkene in hoger beroep ging.

Het hof overwoog dat ontslag van een bewindvoerder slechts kan plaatsvinden op eigen verzoek, wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer aan de eisen voldoet. De betrokkene stelde dat de communicatie met de huidige bewindvoerder onvoldoende was en dat haar financiële belangen niet goed werden behartigd, mede omdat zij maandelijks kosten betaalt terwijl bijzondere bijstand mogelijk zou zijn. De bewindvoerder voerde aan dat er voldoende contactmogelijkheden zijn, dat de betrokkene geen klachten uitte tijdens contactmomenten, en dat bijzondere bijstand niet van toepassing is vanwege het inkomen en vermogen van de betrokkene.

Het hof concludeerde dat de relatie en communicatie weliswaar als verstoord worden ervaren door de betrokkene, maar dat dit geen gewichtige reden vormt voor ontslag. Er was geen bewijs dat de bewindvoerder zijn taken niet naar behoren uitvoerde. Bovendien is artikel 1:435 lid 3 BW Pro niet van toepassing op wijziging van bewindvoerder, maar alleen op de eerste benoeming. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kantonrechter en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder wordt afgewezen wegens het ontbreken van gewichtige redenen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.252.227/01
(zaaknummer rechtbank 6977324 VO VERZ 18-1186)
beschikking van 4 juli 2019
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de betrokkene,
advocaat: mr. F.M. Meis te Groningen,
en
[verweerder] ,
gevestigd te [B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, sector kanton, locatie Groningen) van 25 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 3 januari 2019;
- het verweerschrift met productie(s);
- een brief van mr. Meis van 18 januari 2019 met productie(s).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 mei 2019 plaatsgevonden. De betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de bewindvoerder is verschenen mevrouw [C] .
2.3
Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een brief van mr. Meis van 21 mei 2019 met bijlage(n).

3.De feiten

3.1
De kantonrechter heeft bij beschikking van 20 september 2012 over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die toebehoren aan betrokkene een bewind in de zin van artikel 1:431 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld en de [verweerder] tot bewindvoerder benoemd.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 7 juni 2018, heeft de betrokkene verzocht om [D] B.V. tot opvolgend bewindvoerder te benoemen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene afgewezen.
4.2
De betrokkene is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De betrokkene verzoekt -naar het hof begrijpt- de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking -uitvoerbaar bij voorraad- [D] B.V. als bewindvoerder te benoemen.
4.3
De bewindvoerder voert verweer.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:448 lid 2 van Pro het BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, de rechthebbende of het openbaar ministerie dan wel ambtshalve. In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen zijn om de bewindvoerder ontslag te verlenen.
5.2
De betrokkene stelt dat het contact met haar huidige bewindvoerder onvoldoende is. De betrokkene heeft veel meer vertrouwen in [D] B.V. omdat zij haar ook altijd te woord staan als zij spontaan langsgaat. Daarnaast is de betrokkene van mening dat haar financiële belangen niet juist worden behartigd. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de betrokkene maandelijks een bedrag van € 91,98 betaalt voor haar bewindvoering terwijl haar bewindvoerder hiervoor bijzondere bijstand kan aanvragen. De betrokkene beroept zich voorts op artikel 1:435 lid 3 BW Pro dat bepaalt dat bij een benoeming van een bewindvoerder in beginsel de voorkeur van een betrokkene gevolgd wordt.
5.3
De bewindvoerder voert aan dat de betrokkene bij de [verweerder] een vaste contactpersoon heeft die zelf drie dagdelen per week rechtstreeks telefonisch te bereiken is. Op andere dagen is de bewindvoerder altijd te bereiken en voor spoedgevallen is er zelfs een spoedtelefoonnummer. Er is geregeld telefonisch contact met de betrokkene. De betrokkene geeft tijdens deze telefoongesprekken niet aan dat ze ontevreden is met het contact of dat ze de contactmomenten onvoldoende vindt. Voor een huisbezoek staat de betrokkene niet open. Het klopt dat er nooit bijzondere bijstand is aangevraagd voor betrokkene. Dit komt echter omdat de betrokkene schulden had op het moment dat ze onder bewind kwam en de gemeente Stadskanaal, waar de betrokkene woonachtig is, een overeenkomst met de [verweerder] heeft afgesloten inhoudende dat bewindvoering, budgetbeheer en schuldregeling met betrekking tot haar inwoners door de [verweerder] wordt uitgevoerd. Als gevolg hiervan worden de kosten van het product dat wordt afgenomen bij de [verweerder] , als de betreffende persoon een inkomen heeft lager dan 120% van de bijstandsnorm, door de gemeente vergoed. Vanaf 1 januari 2017 betaalt de betrokkene de kosten van het bewind zelf omdat ze niet meer in aanmerking komt voor een vergoeding vanuit de gemeente. Dit komt omdat de betrokkene schuldenvrij is, een inkomen boven de norm krijgt en er vermogen aanwezig is. Bij een eventuele nieuwe bewindvoerder zal er ook geen bijzondere bijstand verkregen worden gezien het inkomen en het vermogen van de betrokkene. De bewindvoerder geeft verder aan dat de financiële belangen van betrokkene adequaat worden behartigd en er voldoende contactmogelijkheden zijn waarvan betrokkene gebruik kan maken. Er is derhalve geen noodzaak voor een overname van het bewind.
5.4
Gelet op de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is verklaard ziet het hof geen aanleiding om de bewindvoerder te ontslaan. Niet is gebleken van gewichtige redenen die het ontslag van de bewindvoerder rechtvaardigen. Weliswaar is duidelijk geworden dat de betrokkene de relatie en communicatie met de bewindvoerder als verstoord ervaart, maar het hof is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat dit geen gewichtige reden oplevert om de bewindvoerder te ontslaan. Het hof neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat niet is gebleken van een zodanig verstoorde relatie en/of communicatie dat de bewindvoerder zijn taak niet meer naar behoren kan uitoefenen. Bovendien is geenszins aannemelijk gemaakt dat dat de bewindvoerder, die al gedurende ruim zes jaar de bewindvoerder van de betrokkene is, zijn taken niet naar behoren uitvoert of dat er om andere gewichtige redenen aanleiding is om een andere bewindvoerder te benoemen. De betrokkene stelt dat het contact met haar huidige bewindvoerder onvoldoende is, doch heeft dit -mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de bewindvoerder- onvoldoende onderbouwd. Daarnaast stelt de betrokkene dat haar financiële belangen niet juist worden behartigd aangezien ze maandelijks een bedrag betaalt voor haar bewindvoering terwijl ze hiervoor ook bijstand zou kunnen ontvangen. Uit hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen blijkt echter dat het inkomen van de betrokkene boven het door de gemeente gehanteerde normbedrag ligt waardoor ze geen vergoeding meer kan ontvangen.
5.5
Voor zover de betrokkene zich beroept op artikel 1:435 lid 3 BW Pro is het hof van oordeel dat dit artikel ziet op de (eerste) benoeming van een bewindvoerder en niet, zoals in deze zaak, op een verzochte wijziging van de bewindvoerder.
5.6
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
25 oktober 2018;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en
M. Weissink, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 4 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.