ECLI:NL:GHARL:2019:5762

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
12 juli 2019
Zaaknummer
WAHV 200.226.266
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onjuiste oplegging aan kentekenhouder

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens overtreding van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op 2 mei 2016. De sanctie werd aan de kentekenhouder opgelegd, terwijl de betrokkene niet de bestuurder was. De bestuurder werd door een controleur aangesproken en kreeg de opdracht de route terug te rijden.

De verbalisant stelde dat hij de sanctie aan de kentekenhouder oplegde omdat het voertuig uit het zicht verdween, maar het hof oordeelde dat niet is gebleken dat de verbalisant geen gelegenheid had om de gegevens van de bestuurder te noteren. Artikel 5 Wahv Pro bepaalt dat bij reële mogelijkheid tot staandehouding de sanctie aan de bestuurder moet worden opgelegd.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.024. De overige bezwaren behoefden geen bespreking meer.

Uitkomst: De sanctiebeschikking aan de kentekenhouder wordt vernietigd omdat de bestuurder was aangesproken en gelegenheid had zijn gegevens te verstrekken.

Uitspraak

WAHV 200.226.266
12 juli 2019
CJIB 197984780
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel
van 3 augustus 2017
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 123,75.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Bij het beroepschrift is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12/20”, welke gedraging zou zijn verricht op 2 mei 2016 om 20.05 uur op de Grotestraat te Almelo met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. De betrokkene was destijds namelijk niet de bestuurder van het voertuig. De bestuurder heeft te kennen gegeven dat hij ten tijde van de gedraging is aangesproken door een controleur van stadstoezicht. De controleur deelde hem mee dat het een geslotenverklaring betrof, waarop de bestuurder aangaf dat er geen duidelijk bord was geplaatst. De bestuurder was ter plaatse ook niet bekend. Na het gesprek gaf de controleur aan dat de bestuurder terug kon rijden en via een toegestane route zijn weg moest vervolgen. Tijdens het gesprek heeft de controleur niet aan de bestuurder meegedeeld dat er een sanctie opgelegd zou gaan worden.
3. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB zakelijk weergegeven, in dat hij op 2 mei 2016 om 20.05 uur heeft geconstateerd dat de bestuurder van een Mini met het kenteken [00-YYY-0] op de Grotestraat te Almelo heeft gehandeld in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen.
4. Verder heeft de verbalisant op 6 december 2016 aanvullend onder meer nog het volgende verklaard:
"Betrokkene geeft aan in zijn bezwaar, dat de verbalisant in zijn geheel niet heeft gesproken over het opleggen van een boete. Dit is niet juist. Tijdens de staande houding van betrokkene heb ik hem gelijk de bekeuring aangezegd en hem medegedeeld, dat hij de route zoals hij de straat was binnengereden weer terug moest rijden. Tijdens het gesprek reed betrokkene achterwaarts terug en verdween uit het zicht waardoor ik genoodzaakt was om de bekeuring op kenteken uit te schrijven. (…)."
5. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.
6. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat hij de bestuurder heeft aangesproken en heeft meegedeeld dat hij de route terug moest rijden. De bestuurder heeft dit gedaan. Weliswaar stelt de verbalisant dat het voertuig uit het zicht verdween en hij genoodzaakt was om de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen, maar niet gebleken is dat hij daaraan voorafgaand geen gelegenheid heeft gehad om de vereiste gegevens van de bestuurder te noteren. Naar het oordeel van het hof is de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen de inleidende beschikking geen bespreking meer.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en ook de inleidende beschikking vernietigen.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroep, het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen in totaal 4 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.024,-.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 197984780 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.024,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.