Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikkingen van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige zoon hebben verleend. De moeder betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en verzoekt vernietiging van de beschikkingen en afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing. Tevens verzoekt zij, voor het geval het verzoek wordt afgewezen, een onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv.
Het hof verwijst naar de feiten dat de minderjarige sinds februari 2019 in een crisispleeggezin woont vanwege ernstige zorgen over de verzorging en opvoeding door de moeder. Diverse hulpverleners hebben geconstateerd dat de moeder onvoldoende vaardigheden heeft en dat de veiligheid en ontwikkeling van het kind in het geding zijn. De minderjarige heeft daarnaast een hartafwijking en ontwikkelingsachterstand, wat extra zorg vereist.
Het hof oordeelt dat de beslissing van de kinderrechter om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen terecht was en noodzakelijk is in het belang van het kind. De bezwaren van de moeder worden niet overtuigend geacht. Het verzoek tot benoeming van een deskundige voor een aanvullend onderzoek wordt afgewezen omdat dit niet in het belang van het kind is, dat vooral gebaat is bij rust en continuïteit.
De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en de verzoeken van de moeder worden afgewezen. Het hof benadrukt het belang van een stabiele opvoedingssituatie en een goede omgangsregeling tussen moeder en kind.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek tot aanvullend onderzoek af.