ECLI:NL:GHARL:2019:5890

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2019
Publicatiedatum
16 juli 2019
Zaaknummer
200.254.141
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 235 RvArt. 351 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging vonnis rechtbank Gelderland inzake onrechtmatig handelen stichting

In deze civiele procedure zijn appellanten, waaronder een stichting, door de rechtbank Gelderland veroordeeld wegens onrechtmatig handelen jegens de gemeente Nijmegen door misbruik van een derdengeldenrekening. De appellanten zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die de gemeente daardoor lijdt. De rechtbank heeft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Appellanten zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen en hebben in een incident gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst of dat zekerheid wordt gesteld. De gemeente heeft haar verweer tegen schorsing van de proceskostenveroordeling prijsgegeven, en het hof heeft het bezwaar van de gemeente tegen pleidooi afgewezen.

Het hof heeft de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 december 2018 toegewezen en de beslissing over de proceskosten aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. Het verzoek tot mondeling pleidooi in het incident is afgewezen omdat het belang daarvoor is komen te vervallen. De hoofdzaak wordt voortgezet met een memorie van antwoord op 30 juli 2019.

Uitkomst: Het hof schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 december 2018 en houdt de beslissing over proceskosten aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.254.141
(zaaknummer rechtbank Gelderland, NL18.7022)
arrest van 16 juli 2019
in het incident in de zaak van
1. de stichting
[appellant 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten, tevens eisers in het incident,
in eerste aanleg: verweerders,
advocaat: mr. M.R. Lauxtermann,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Gemeente Nijmegen,
zetelend te Nijmegen,
geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: de gemeente,
advocaat: mr. F.J.P. Delissen.
Appellante sub 1 zal hierna de stichting, appellant sub 2 [appellant 2] en appellanten gezamenlijk zullen [appellanten] worden genoemd.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
13 december 2018 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 31 januari 2019,
- de memorie van grieven tevens memorie van eis in het incident ex artikel 235 en Pro 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met productie 1,
- de memorie van antwoord in het incident, met productie 1.
2.2
De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 21 mei 2019 voor fourneren in het incident. De gemeente heeft daarop de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en, op voorhand, bezwaar gemaakt tegen het aangekondigde verzoek om pleidooi van [appellanten] In reactie daarop hebben [appellanten] meegedeeld dat zij het verzoek om pleidooi handhaven. Het bezwaar van de gemeente is door de rolraadsheer afgewezen. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 4 juni 2019 voor beraad partijen (uitlaten: schriftelijk of mondeling pleidooi). Op die roldatum hebben [appellanten] aan het hof meegedeeld mondeling te willen pleiten en de stukken gefourneerd. De gemeente heeft op die datum een akte genomen. Bij brief van 13 juni 2019 heeft de gemeente meegedeeld dat zij de op 4 juni 2019 door haar genomen akte intrekt. Bij brief van 14 juni 2019 hebben [appellanten] op de brief van de gemeente gereageerd en zich, kort gezegd, niet tegen de intrekking van de akte verzet. Op 18 juni 2019 hebben [appellanten] een antwoordakte genomen. Daarna heeft het hof arrest in het incident (op het griffiedossier) bepaald.

3.De motivering van de beslissing in het incident

3.1
Bij vonnis van 13 december 2018 heeft de rechtbank Gelderland voor recht verklaard dat [appellanten] (1) onrechtmatig jegens de gemeente hebben gehandeld door misbruik te (laten) maken van de aan de stichting verbonden derdengeldenrekening en (2) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de gemeente als gevolg van deze onrechtmatige daden heeft geleden en zal lijden. De rechtbank heeft [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de gemeente begroot op € 1.712,-. Uitsluitend ten aanzien van de proceskostenveroordeling heeft de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Van dit vonnis zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in dit incident gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 december 2018 wordt geschorst op grond van artikel 351 Rv Pro, dan wel dat op grond van artikel 235 Rv Pro aan de tenuitvoerlegging de voorwaarde wordt verbonden dat zekerheid wordt gesteld op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.2
De gemeente heeft bij akte van 4 juni 2019 het volgende meegedeeld: “
Onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat uw Hof niet (ten onrechte) oordeelt dat een zelfstandig belang bij pleidooi gelegen zou kunnen zijn in het (enkele) verkrijgen van een gemotiveerde beslissing in het incident, geeft de gemeente haar verweer tegen schorsing van dit deel van het dictum prijs, evenals haar verweer tegen een proceskostenveroordeling in dit incident.” Het hof begrijpt deze passage als een (voorwaardelijke) instemming met de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 13 december 2018 toegewezen proceskostenveroordeling. Wanneer eenmaal een processtuk – in dit geval een akte – is genomen, kan dat processtuk niet meer worden ingetrokken. De mededeling in de brief van de gemeente van 13 juni 2019 dat zij de akte van 4 juni 2019 intrekt wordt dan ook gepasseerd. Nu de gemeente zich blijkens de tekst van de akte niet verzet tegen toewijzing van de (primair) gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 december 2018, zal het hof die vordering toewijzen.
3.3
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan beoordeling van de subsidiaire vordering tot zekerheidsstelling. Gelet op het oordeel dat de primaire vordering aanstonds toewijsbaar is, heeft [appellanten] geen belang meer bij het verzoek tot mondeling pleidooi in het incident. Daarom zal dat verzoek worden afgewezen.
3.4
Het hof houdt de beslissing over de kosten van het incident aan totdat in de hoofdzaak eindarrest is gewezen.
3.5
De hoofdzaak is op 18 juni 2019 verwezen naar de rol van 30 juli 2019 voor memorie van antwoord. Deze beslissing blijft gehandhaafd. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof, recht doende:
in het incident:
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 13 december 2018;
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
bepaalt dat in de hoofdzaak verder wordt geprocedeerd in de stand waarin deze zich bevindt (roldatum
30 juli 2019voor memorie van antwoord);
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, H.L. Wattel en A.E.B. ter Heide, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.