De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie, maar werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van de vereiste zekerheid volgens artikel 11, derde lid, van de Wahv. Het hof vernietigde eerder deze beslissing omdat de betrokkene niet op correcte wijze in de gelegenheid was gesteld zekerheid te stellen.
Na een nieuwe zitting waarbij de gemachtigde van de betrokkene niet verscheen, werd het beroep opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep stelde de gemachtigde dat zekerheid was gesteld door verrekening met een proceskostenvergoeding toegekend door het hof. Het hof oordeelde dat volgens vaste rechtspraak het bedrag van de zekerheidstelling niet verrekend kan worden met bedragen die het CJIB aan de betrokkene verschuldigd is.
Daarom bevestigt het hof de beslissing van de kantonrechter met verbeterde gronden en wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding af. Het arrest is gewezen door mr. Beswerda en uitgesproken in openbare zitting.