Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen een zoon en zijn moeder over de terugbetaling van een studielening die op de bankrekening van de moeder was gestort. De moeder betaalde slechts een deel van het bedrag aan haar zoon door. De rechtbank wees de vordering van de zoon af wegens onvoldoende bewijs van een leningsovereenkomst.
In hoger beroep stelde de zoon dat er wel degelijk een overeenkomst van verbruikleen was gesloten, waarbij de moeder het resterende bedrag aan hem zou terugbetalen. Drie getuigen, waaronder de vader en broer, bevestigden deze afspraak. Ook een notariële conceptakte en e-mailcorrespondentie ondersteunden het standpunt van de zoon.
De moeder voerde tegenbewijs en compensatie aan, maar kon dit niet onderbouwen. De vordering werd als opeisbaar beschouwd, omdat geen termijn was gesteld. Het hof concludeerde dat de moeder gehouden is het resterende bedrag van € 24.506,68 plus wettelijke rente te betalen en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De kosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De moeder wordt veroordeeld tot betaling van € 24.506,68 plus wettelijke rente vanaf 3 januari 2016 aan haar zoon.