Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[B],
verzoeker in hoger beroep,
[B],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat de vaststelling van de kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen centraal. De ouders zijn sinds 2011 onder bewind gesteld en hebben hun relatie in maart 2017 verbroken. De vrouw oefent het gezag uit over de kinderen, die bij haar verblijven. De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die de kinderalimentatie op €121 per kind per maand stelde.
De man betwist de ontvankelijkheid van de vrouw in het verzoek tot alimentatie omdat zij en hij onder bewind staan en niet zelf procesbevoegd zouden zijn. Het hof oordeelt dat de bewindvoerder formeel procespartij is en dat diens toestemming voor het voeren van de procedure voldoende waarborgt dat het hoger beroep ontvankelijk is.
De behoefte van de kinderen wordt vastgesteld op basis van het inkomen van de man in 2017, waarbij het hogere inkomen na de relatiebreuk in aanmerking wordt genomen. De draagkracht van de man wordt berekend op €173 per maand, maar na toepassing van een zorgkorting van 15% wordt zijn bijdrage vastgesteld op €87 per kind per maand. De ingangsdatum van de alimentatie wordt gesteld op 2 februari 2018, de datum van het inleidend verzoek. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijst het beroep deels toe.
Uitkomst: De man moet vanaf 2 februari 2018 €87 per kind per maand betalen aan kinderalimentatie; de procedure is ontvankelijk ondanks bewind.