ECLI:NL:GHARL:2019:6502
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw onbetaald laten van schulden
Appellant, jarenlang actief in de vastgoedsector en bestuurder van diverse vennootschappen waarvan zijn kinderen aandeelhouder zijn, verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw was met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden, mede vanwege een verbeurde dwangsom aan de gemeente Soest en het onttrekken van vermogen aan schuldeisers.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door de economische crisis in financiële problemen was gekomen en dat hij sinds november 2015 voor de vennootschap van zijn kinderen werkte zonder vergoeding, wat hij als investering zag. Vanaf januari 2019 ontvangt hij een niet marktconform salaris. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij te goeder trouw was geweest, omdat hij geen adequate pogingen had gedaan om zijn schuldenlast te beperken of af te lossen, en de toekomstige inkomsten vooral ten goede zouden komen aan zijn kinderen, niet aan zijn schuldeisers.
De hardheidsclausule, die in uitzonderlijke gevallen toelating tot de regeling mogelijk maakt ondanks niet te goeder trouw handelen, werd niet toegepast omdat appellant alleen beperkte argumenten over de dwangsomschuld aanvoerde, die slechts een klein deel van zijn totale schuldenlast vormt. Bovendien bleef hij actief in de vastgoedbranche zonder dat dit leidde tot inkomsten voor zijn schuldeisers.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt goed vertrouwen.