ECLI:NL:GHARL:2019:6666

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 augustus 2019
Publicatiedatum
19 augustus 2019
Zaaknummer
WAHV 200.219.245
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid, WahvArt. 13, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake administratieve sanctie negeren rood licht

Betrokkene werd administratief gesanctioneerd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 24 mei 2016. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene tegen de sanctie ongegrond en wees een proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep stelde de gemachtigde van betrokkene dat de beslissing van de kantonrechter op meerdere punten onvoldoende was gemotiveerd, met name over het ontbreken van proces-verbaal en de bevoegdheid van de medewerker die het administratief beroep behandelde. Het hof constateerde dat het proces-verbaal wel aanwezig was en dat de kantonrechter de inhoudelijke bezwaren had meegewogen.

Het hof oordeelde dat het enkel stellen van vragen over de bevoegdheid van de medewerker geen reden is om stukken over die bevoegdheid als zaakstukken te beschouwen. De naam van de medewerker was onbekend, maar dat leidde niet tot twijfel over de bevoegdheid. De verklaring van de ambtenaar die de overtreding vaststelde werd als betrouwbaar beschouwd. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

WAHV 200.219.245
19 augustus 2019
CJIB 198431664
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland
van 15 juni 2017
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 123,75.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 1 februari 2018 is ter griffie van het hof een op 30 januari 2018 gedateerd schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ingekomen.

Beoordeling

1. De stelling van de gemachtigde dat in het dossier een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt, zoals geformuleerd in zijn schrijven van 30 januari 2018, ontbeert feitelijke grondslag. In het dossier bevindt zich immers een proces-verbaal van de op 15 juni 2017 in het openbaar gehouden terechtzitting van de kantonrechter.
2. De beslissing van de kantonrechter is volgens de gemachtigde van de betrokkene op meerdere punten ontoereikend dan wel geheel niet gemotiveerd. Zo heeft de kantonrechter slechts in algemene bewoordingen geoordeeld dat de gedraging is verricht, terwijl hiertegen door de gemachtigde gemotiveerd verweer is gevoerd. Omtrent het verweer dat verzochte stukken niet zijn toegezonden, en op de vraag of de medewerker die namens de officier van justitie op het administratief beroep heeft beslist hiertoe bevoegd was, rept de kantonrechter met geen woord. Het voorstel van de advocaat-generaal om de beslissing van de kantonrechter te bevestigen met verbetering van gronden is in strijd met het recht, omdat daarmee wordt miskend dat hoger beroep moet worden ingesteld om alsnog inhoudelijke behandeling van de aangevoerde beroepsgronden te verkrijgen. Indien het hof hiertoe evenwel overgaat, meent de gemachtigde onder verwijzing naar een arrest van het hof van
24 januari 2018 (WAHV 200.189.267) dat de betrokkene een vergoeding van proceskosten toekomt.
3. De beslissing van de kantonrechter dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) met redenen te zijn omkleed.
4. In tegenstelling tot het standpunt hieromtrent van de gemachtigde kan, hoewel summier gemotiveerd op dit punt, uit de beslissing van de kantonrechter worden afgeleid dat de inhoudelijke bezwaren die tegen de inleidende beschikking zijn opgeworpen, zijn meegenomen. De kantonrechter heeft hieromtrent - kort gezegd - geoordeeld dat namens de betrokkene geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant. Het verweer van de gemachtigde dienaangaande faalt.
5. Uit het dossier blijkt verder dat de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter het niet ontvangen van verzochte stukken, alsmede de bevoegdheid van de medewerker die namens de officier van justitie op het administratief beroep heeft beslist, aan de kaak heeft gesteld. Het hof stelt in het licht hiervan vast dat de kantonrechter op deze gronden niet is ingegaan. Hoewel de kantonrechter niet gehouden is om expliciet op ieder argument in te gaan, moet de betrokkene wel in grote lijnen uit de beslissing kunnen opmaken waarom de aangevoerde bezwaren geen doel treffen (vgl. Kamerstukken II 1988/89, 21221, nr. 3 (MvT) p. 154, 157). Dat is hier niet het geval. De beslissing van de kantonrechter is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Tot een vernietiging van deze beslissing behoeft dat echter niet te leiden. De kantonrechter zou op grond van het navolgende namelijk niet tot een ander oordeel hebben kunnen komen.
6. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij, teneinde voldoende in staat te zijn om gronden te kunnen aanvoeren, recht heeft op meer stukken dan enkel het zaakoverzicht dat hem is toegezonden. Hij vraagt zich daarnaast af of de medewerker die namens de officier van justitie een beslissing heeft genomen op het administratief beroep hiertoe bevoegd was en of deze persoon valt onder de mandaatregeling zoals die in het arrest van het hof van 24 november 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:9412) uiteen is gezet. De naam van de desbetreffende medewerker is nog steeds onbekend.
7. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep, naast het zaakoverzicht en eventuele foto's van de gedraging, heeft verzocht om verscheidene documenten die - kort gezegd - zien op de bevoegdheid en bekwaamheid van de betrokken medewerkers.
8. De op de zaak betrekking hebbende stukken dienen deel uit te maken van het dossier (vgl. het arrest van het hof van 2 februari 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:1050). In zaken als deze worden het zaakoverzicht en – indien van toepassing – een foto van de gedraging aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Het hof stelt vast dat deze stukken zich in het dossier bevinden. Andere documenten hoeven geen deel uit te maken van het dossier. Dat is slechts anders indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vgl. het arrest van het hof van 17 oktober 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:8247). Die situatie kan zich voordoen wanneer feiten of omstandigheden aannemelijk worden gemaakt die niet of onvoldoende kunnen worden weerlegd aan de hand van het zaakoverzicht, de eventuele foto’s en de overige aanwezige stukken dan wel wanneer feiten of omstandigheden worden aangevoerd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de uit die stukken blijkende gegevens.
9. Het hof overweegt dat het enkel stellen van een vraag dan wel het opwerpen van een suggestie omtrent de vermeende onbevoegdheid van de desbetreffende medewerker, geen aanleiding vormt om in deze zaak stukken die zien op de bevoegdheid van deze medewerker aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Het enkele feit dat de naam van de medewerker niet bekend is, geeft geen reden om aan te nemen dat de beslissing op administratief beroep onbevoegd is genomen. De verweren van de gemachtigde treffen geen doel.
10. Het resterende bezwaar van de gemachtigde richt zich tegen (de ongegrondverklaring van het beroep tegen) de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene een administratieve sanctie van € 230,- is opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 mei 2016 om 10:32 uur op de Parkweg te Velsen-Zuid met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
11. Dit bezwaar houdt in dat de ambtenaar, in strijd met hetgeen hieromtrent in het zaakoverzicht is vermeld, geen direct zicht had op het verkeerslicht. Volgens de betrokkene stond de ambtenaar bij een volgend verkeerslicht en heeft hij nooit kunnen zien dat de betrokkene door rood licht reed, hetgeen overigens wordt betwist. Dit verweer van de betrokkene had volgens de gemachtigde aanleiding moeten zijn voor het opvragen van nadere informatie bij de desbetreffende ambtenaar, hetgeen niet is geschied.
11. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
13. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast de volgende verklaring van de ambtenaar:
"Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 2 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding verkeerslicht: Parkweg doorgaand.
Verbalisant bevond zich achter voertuig. Direct zicht."
14. Het hof heeft geen reden om de verklaring van de ambtenaar en diens waarneming in twijfel te trekken. De ambtenaar reed achter het voertuig van de betrokkene en had daarbij direct zicht op het verkeerslicht. De enkele stelling van de betrokkene dat dit anders is geweest, is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Het hof is dan ook van voordeel dat de gedraging op basis van de verklaring van de ambtenaar vaststaat.
15. Voorgaande leidt ertoe dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd, weliswaar met verbetering van gronden. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.