In deze civiele zaak staat een geschil centraal tussen een hoofdhuurster, exploitant van een modezaak, en een onderhuurster, exploitant van een kapsalon, over de afwikkeling van hun huurovereenkomst voor bedrijfsruimte aan de [a-straat 1]. De onderhuurster huurde de eerste etage en een massageruimte van de hoofdhuurster. Na het verstrijken van de oorspronkelijke huurovereenkomst in juni 2016 bleef de onderhuurster de ruimte gebruiken en betalen, ondanks het ontbreken van een nieuwe overeenkomst.
De hoofdhuurster zegde de gebruiksovereenkomst per 20 september 2016 op, waarbij ook de toegangscode tot het pand werd gewijzigd. De onderhuurster kreeg vervolgens via kort geding het recht om de ruimte tot 30 november 2016 te gebruiken. Er ontstond onenigheid over de vergoeding voor gebruik na de opzegging, gemeentelijke heffingen, en de verwijdering van wasbakken en een boiler.
De kantonrechter wees een deel van de vorderingen toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de hoofdhuurster de gebruiksovereenkomst niet op een redelijke termijn had beëindigd. Het hof stelde vast dat de onderhuurster recht had op terugbetaling van teveel betaalde gebruiksvergoeding, een vergoeding voor gederfde omzet en voor de wasbakken en boiler, terwijl de vorderingen van de hoofdhuurster grotendeels werden afgewezen. Uiteindelijk werd de hoofdhuurster veroordeeld tot betaling van €1.605,19 plus wettelijke rente aan de onderhuurster, met compensatie van de kosten van de eerste aanleg en veroordeling in de kosten van het hoger beroep.